donderdag 20 november 2014

De legende hoe de begijntjes aan hun naam kwamen.

Wie Brugge zegt, denkt aan het begijnhof. Begijntjes zijn er allang niet meer. Ze zijn vervangen door Benedictijnse kloosterzusters. Maar hoe kwamen ze ooit aan hun naam, Beghina?
Daarover bestaat een mooie legende.

Begijnen zijn er in Brugge niet meer. Ze zijn vervangen door Benedictinessen.

Lang geleden leefde er in Praag een vrome koningin die Beatrijs heette. Goed de naam onthouden. Zij had twee dochters. Ghyselghundis, de oudste, die al weduwe was, en de jongste Nazarena, een schriel en teer meisje voor wie het gehuwde leven en het moederschap te zwaar zou zijn.

Het was de tijd dat veel stoere ridders op kruistocht trokken, en die men – omdat ze sneuvelden - nooit meer terugzag. Misschien vonden sommigen ook dat de zuiderse lucht beter was voor hun stramme gewrichten. Dat kan ook. Daardoor waren er in het land veel eenzame vrouwen, rijk en arm, die dagelijks tevergeefs uitkeken naar de terugkeer van hun wederhelft.

Nu woonde daar in die stad ook een vrome bisschop die hoog in aanzien stond aan het koninklijke hof. Hij adviseerde de koningin – die sterk begaan was met het wel en wee van haar vrouwelijke onderdanen - om aan de rand van de stad honderd woningen te laten optrekken voor die alleenstaande vrouwen of weduwen. Want ze konden natuurlijk niet allemaal in een klooster intreden, en de meesten wilden dat ook niet.

Op een dag stierf de koning, en koningin Beatrijs bleef eenzaam achter met haar twee dochters. Het koninklijke kasteel was veel te groot voor hun drieën. Omdat de bisschop hen niet geschikt achtte voor het strenge kloosterleven, gingen ze dan maar samenwonen in het nieuw gebouwde vrouwendorp.

De koningin wou dat de vrouwen die er woonden een naam zouden krijgen, want nonnen waren het niet. Daarom vroeg ze de bisschop weer om raad.

De man antwoordde dat men als eerste de beginletters van de naam van de koningin zou kiezen, daarna die van haar dochters Ghiselbundis en van Nazarena. Zo kozen zij de beginletters van de namen van de drie vrouwen BE - GHI - NA als naam.

Waar of niet waar?

In de loop der eeuwen zijn verschillende pogingen gedaan om de oorsprong van het woord beghina of begijn te duiden.

Een voor de hand liggende verklaring wijst op de naam van de officieuze stichter van de orde, Lambert de Bègue. Uit zijn familienaam zou de Franse term bèguinage zijn afgeleid, een term die in Vlaamse en Brabantse monden tot begienen en begijnen verbasterd werd.

Anderen menen dat een verklaring veeleer moet gezocht worden bij het Franse woord bège (vaalgrijs), wat zou verwijzen naar de kleur van een begijnenhabijt.

Of heeft het toch te maken met de Heilige Begga? Alhoewel ze sedert de 15de  eeuw onterecht beschouwd als de stichteres van de begijnhoven is er de klankovereenkomst van haar naam met de in de 12de eeuw gebruikte scheldnaam li beges, de beige vrouwen, de kleurlozen, naar het grauwe gewaad dat de begijnen droegen.

Men zegt dat de begijnen deze scheldnaam stilaan als een eretitel beschouwden en ze begonnen zich zelf begijnen te noemen.

Een andere mogelijke verklaring is dat er in één van de levensbeschrijvingen van de heilige Begga staat dat ze na de dood van haar man “haar paleys ende weerlijck hof in een gheestelijck hof en de vergaderinghe verandert heeft”, waarvan men dan later begijnhoven gemaakt zou hebben.

Kortom, men weet niet zeker waar het woord ‘begijn’ vandaan komt.

Maar wat dan met de bovenstaande legende?

In 1907 doet ene Carolus Franciscus Petrus Lecoutere onderzoek naar de oorsprong van de naam beghina en schrijft daarover een boek: “Eene legende over den oorsprong der begijnen.”
Daarin lezen we o.a. het volgende: (ik herschrijf in standaard Nederlands):

“Is werkelijk de heilige Begga, de dochter van Pepijn van Landen († 694), de stichteres van de begijnenhoven geweest, of is het oprichten er van toe te schrijven aan de Luikse priester Lambrecht, bijgenaamd le Bègue of de stamelaar († 1187)?

Of moet men een andere oorsprong aannemen? - En wat de naam ‘begijn’ betreft, wat is er de betekenis van? Moet hij al of niet afgeleid worden van de stichters der begijnhoven of moet hij anders worden verklaard? Heten de begijnen sedert onheuglijke tijd aldus ter ere van de heilige Begga?

Betekent ‘begijn’ zoveel als ‘kwezelaar’? Leidt men het woord met meer waarschijnlijkheid van het Frans béguin (kindermutsje) af?  Of is het ten slotte van Germaanse of van Romaanse oorsprong?

Ik wens gedurende enige ogenblikken uw aandacht te vestigen op een andere, reeds oude, verklaring van de oorsprong en de naam der begijnen, die ons in een middeleeuwse legende wordt meegedeeld.

Volgens dat verhaal zouden de begijnen uit Bohemen herkomstig zijn en hun naam zou samengesteld zijn uit de eerste lettergreep van drie verschillende vrouwennamen (be-ghi-na). …

Immers, zoals verder zal  blijken, was de inhoud van die legende niet onbekend in de middeleeuwen.”

Vervolgens doet Lecoutere verslag van een vijftal hem bekende versies, onder meer een oude druk uit de 17de of misschien zelfs uit de 16de eeuw. Het document bevindt zich in de  Koninklijke Bibliotheek te Brussel en draagt als opschrift:

“Hier nu volcht den oorspronck hoe die Be- 
ghijnen jerstwerf op ghecomen zijn inder 
Heyligher Kercken.”

Deze tekst illustreert een daarboven staande illustratie. Op die gravure worden de personages voorgesteld, van wie de legende spreekt. (zie foto hieronder)



Hierna volgt een fragment uit deze laatmiddeleeuwse tekst. De hele tekst kan men hier lezen; 

“Op dat ander punct hoemense heeten soude, antwoorde hij dat men nemen soude die ierste syllaben van hunder driër namen, dat is der coningh[inn]en ende haerder twee dochteren. Dus nam hij vander coninghinne naem, die Beatrix hiet, die ierste syllabe, dat was Be; vander outster dochter, der weduë, die Ghyselghundis gheheeten was namp hij ooc die ierste syllabe Ghy: vander ioncster dochter, die Nazarena hiet, namp hi ooc die ierste syllabe dat was Na. Dese drie syllaben te samen ghevuecht in eenen woorde, maken Beghijna, dat sal wesen den naem hoemen die persoonen heeten sal van dier hofstede.”

Het verhaal van de legende stipuleert ook hoe de begijnen zouden leven:

“Ten derden mael gaf hij hun een manier ende reghel hoe sy leven souden, dat en was anders niet dan dat sy een reyn, ootmoedich, simpel leven souden houwen …”

Dat deze legende waarlijk de oorsprong is van het woord begijn is weinig waarschijnlijk. Maar deze oude tekst maakt in ieder geval duidelijk dat de legende al eeuwenlang gekend was.




Oorsprong van de begijnhoven.

De grondslag van het begijnwezen moet enerzijds gezocht worden in de religieuze hervormingsbeweging die in Europa woedde tussen de tiende en de elfde eeuw. Anderzijds zorgden de kruistochten in de elfde en twaalfde eeuw voor een probleem. Aangezien vele strijdvaardige edelen het leven lieten werden veel vrouwen weduwe en was er een nijpend tekort aan huwbare mannen voor heel wat jonge adelmeisjes.


Dit is slechts een gedeeltelijke verklaring: Lange tijd werd de demografische factor naar voren geschoven als voornaamste reden voor het ontstaan van deze vrouwenbeweging: de mannen trokken in die tijd op kruistocht of waren verwikkeld in wapengekletter en hierdoor zou een 'overschot' aan vrouwen zijn ontstaan. Deze veronderstelling berust echter grotendeels op een hypothese vermits er voor de twaalfde en de dertiende eeuw geen echt reële bevolkingscijfers bestaan.

Een verklaring moet veeleer gevonden worden in de talrijke religieuze bewegingen die vanaf de twaalfde eeuw ontstonden als reactie tegen de misstanden in de kerk. Men greep daarom terug naar de idealen van de eerste christenen en naar de grondslagen van het evangelie.

Deze factoren leidden ertoe dat Lambert de Bègue, een Luiks priester, in 1189 belast werd met de oprichting van een nieuwe religieuze orde. De bedoeling was niet een nieuwe kloosterorde pur sang te vormen maar veeleer een half-religieus toevluchtsoord waar alleenstaande dames uit de high society eervol hun dagen konden slijten.

Men is vrijwel zeker dat de begijnhoven in België, meer bepaald in Nijvel, ontstaan zijn, en zich al spoedig van daar uit over een groot gedeelte van Europa verspreid hebben. Begijnen en begijnhoven zien wij in den loop der 13de  eeuw opkomen en snel aangroeien in de Nederlanden, in Frankrijk, Spanje, Duitsland, Bohemen, Oostenrijk, Polen en Italië.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten