zaterdag 8 november 2014

De legende van Sint-Maarten (Sint-Maartensplein)

De meest bekende legende over Sint Maarten is die over zijn mantel die hij in twee stukken snijdt.  Maar over Martinus bestaan nog verschillende andere, meer en minder bekende, wondere verhalen of legenden. 

De afbeelding van Sint-Maarten op de hoek van de Korte Ridderstraat


Het was een dag in november. Loodzware grijze wolken bedekten de hemel en een ijzige wind blies de laatste dorre bladeren van de bomen en veegde ze voor zich uit. Over een Franse landweg reed een groepje jonge mannen. Op bevel van de keizer waren ze uit Italië vertrokken, om hier in Frankrijk een nieuwe taak op zich te nemen. Ze moesten zich haasten om het dichtstbijzijnde dorp te bereiken voor het donker werd.

Het begon te regenen en door de ijzige kou bevroor de grond en werd het plotseling spiegelglad. De ruiters moesten oppassen dat hun paard niet uitgleed en kwamen daardoor maar langzaam vooruit. Toen het begon te schemeren werd een van de mannen ongeduldig en riep: 'Kijk, daar in de verte ligt een stad. Is dat Amiens niet? We zullen ons moeten haasten want weldra worden de poorten gesloten.' 'Hij heeft gelijk', riep een van de anderen, 'onze paarden kunnen vannacht weer uitrusten, daarom hoeven we ze nu niet te sparen. Vort! Sneller!'

De mannen spoorden hun dieren aan. Maar één van hen wilde zich niet haasten en kwam daardoor steeds verder achterop, Het was de jonge ridder Maarten.  Hij maakte zich zorgen om zijn trouwe paard dat hem reeds zo vele goede diensten had bewezen. Hij reed liever voorzichtig en rustig op de spiegelgladde weg om ervoor te zorgen dat zijn paard niets overkwam. Van zijn kameraden was al snel niets meer te zien. De wind werd sterker en de regen ging over in een dichte sneeuwstorm. De sneeuwvlokken waaiden Maarten in het gezicht alsof het fijne naalden waren. Daarom trok hij zijn mantel nog dichter om zich heen, en hield met ijskoude vingers de teugels stevig vast.

Het was al donker geworden toen Maarten de stad Amiens bereikte. Gelukkig stond de grote stadspoort nog open. Juist toen hij naar binnen wilde gaan, bleef zijn paard plotseling staan. De ridder trok met vaste hand aan de teugels, maar het dier verroerde zich niet. Maarten klopte hem op de hals en sprak hem vriendelijk toe. Het hielp niet. Het dier wilde geen stap verder doen. Toen steeg Maarten van zijn paard af en op dat ogenblik bemerkte hij een arme man die in een nis van de stadsmuur beschutting zocht tegen weer en wind. Hij was slechts in wat lompen gehuld en bibberde van de kou.

Hoewel Maarten vaak onderweg een aalmoes aan arme mensen had uitgedeeld, had hij die avond niets anders bij zich als zijn ridderkleed en zijn warme mantel. Toch wilde hij ook deze man helpen en daarom nam hij zijn zwaard en sneed zonder aarzelen zijn mantel in twee stukken. De ene helft gaf hij de arme man, de andere hield hij zelf. Daarna besteeg hij snel zijn paard zonder de dank van de bedelaar af te wachten en reed de stad in om zijn vrienden te zoeken. Hij vond ze in een herberg, waar ze met rode wangen bij de wijn en brandewijn grappen zaten te maken.

Toen Maarten bij hen kwam lachte een van hen hem uit: 'Kijk eens, Maarten is er eindelijk ook!' Maar een van de anderen gaf hem een por in zijn zij en fluisterde: 'Wees stil, zie je niet dat er iets met Maarten gebeurd is, kijk zijn mantel eens!' De vrienden kenden Maarten goed. Tijdens hun reis hadden zij vaak genoeg meegemaakt dat hij arme mensen die ze onderweg tegenkwamen een aalmoes gaf. Hoe vaak hadden ze niet om hem gelachen en spottend geroepen: 'Nog even, en je bezit zelf niets meer!'

Toen ze nu merkten dat Maarten nog maar de helft van zijn mantel had, keken ze elkaar getroffen aan. Wat was er gebeurd? Een van de ridders schaamde zich dat hij met de anderen vooruit gegaan was zonder naar Maarten om te kijken en hij vroeg: 'Je hebt toch niet je mantel gedeeld om een van de armen te helpen?' Maarten antwoordde bescheiden: 'Ja, ik heb hetzelfde gedaan wat ik ook voor mijn broer zou hebben gedaan.'

Die nacht werd Maarten wakker door een helder licht dat in zijn kamer scheen. Christus verscheen hem in de gestalte van de arme bedelaar. Hij had de helft van Maartens mantel om zijn schouders en sprak tot de engelen die hem omgaven: 'Maarten heeft mij deze mantel gegeven.

Die droom maakte diepe indruk op Maarten en hij voelde zich geroepen vanaf dat ogenblik de Christus te dienen. Hij liet zich dopen en trad zo gauw als bij maar kon uit de dienst van de keizer. Zo werkte hij met goedheid, liefde en opoffering onder de mensen en vele ridders volgden zijn voorbeeld.


Afbeelding van Sint-Maarten aan het gemeentehuis van Latem
(naast de Sint-Martinuskerk)


Over Sint-Maarten bestaat ook nog een tweede legende:

Nadat Sint Maarten in 397 gestorven was en in Tours begraven, begonnen de bewoners van die stad met de bouw van een nieuwe kerk. Hun bedoeling was dat het lichaam van Sint Maarten daarheen zou worden overgebracht. De inwoners van Tours werkten ruim 60 jaar aan de kerk en toen was het eindelijk zover dat het lichaam van Martinus zou kunnen worden overgebracht. Dat gebeurde met een grote, plechtige processie.

Nu woonden er in Tours twee bedelaars, die trouwe vrienden waren. De ene was verlamd, de andere blind. Elke dag trokken ze samen op: de blinde droeg de lamme naar de plaats waar ze zouden bedelen, en de lamme wees de blinde daarbij de weg. Al bedelend verdienden ze zo een heel goed inkomen bij elkaar.

Toen zij hoorden dat het lichaam van Sint Maarten naar de nieuwe kerk zou worden gebracht, waren ze bang dat de processie door de hoofdstraat waar ze werkten, zou komen. Wat lag er immers meer voor de hand, dan dat Sint Maarten aan wie al zoveel genezingen werden toegeschreven, hen ook zou willen genezen? En dát mocht in geen geval gebeuren, want 'gezond' zouden ze hun broodwinning kwijt zijn. Ze verborgen zich daarom in een smal straatje, waar de processie zeker niet zou komen.

Maar toen de processie eenmaal aan het trekken was, gebeurde er een ongeluk in de hoofdstraat. Dit betekende zo'n lang oponthoud, dat ze een andere weg moesten kiezen. De processie kwam daardoor precies in de smalle straat terecht, waar de twee vrienden zich verborgen hielden. Op hun vlucht ontmoetten zij zo toch het lichaam van Sint Maarten... 
En zoals verwacht: terstond werden de twee invalide bedelaars genezen!


Sint-Maarten en de bedelaars


De heilige Sint-Martinus

Het leven van Martinus is beschreven door Sulpicius Severus  in de Vita S. Martini, en door Gregorius van Tours in diens Miraculorum Libri VIII. Beide schrijvers behoorden tot de meest gelezen auteurs in de middeleeuwen en dit verklaart mede de grote populariteit van de H. Martinus.

De naam Sint-Maarten gaat terug op een zekere Martinus van Tours.
Martinus werd in het jaar 316 geboren in het huidige Hongarije.  Zijn opvoeding kreeg hij in de Noord-Italiaanse stad Pavia.  Martinus’ vader was officier in Romeinse leger. De jonge Martinus heeft het thuis blijkbaar moeilijk gehad, want al op 12-jarige leeftijd loopt hij van huis weg. Hij wordt door christenen opgevangen en maakt zo kennis met de Bijbel en de christelijke leer.

Als hij 15 jaar is treedt hij in het voetspoor van zijn vader. Hij meldt zich aan in het leger en wordt tot ridder geslagen. Hij houdt het echter niet lang uit in dit ruwe beroep. Gewonnen voor het christelijk geloof breekt hij met het leger. Hij laat zich dopen en wordt van zijn ridderplichten ontheven. Vervolgens wordt hij monnik en wijdt hij zich geheel aan de studie in de H. Schrift.

Na zijn studie geeft hij zelf onderwijs in de christelijke leer. Zijn omgeving komt onder de indruk van zijn eenvoud en bewogenheid met armen en noodlijdenden. Tegen zijn wil wordt hij in 371 tot bisschop van de Franse plaats Tours gekozen. Dit is de reden waarom hij de geschiedenis is ingegaan als Martinus van Tours. Op 8 november in het jaar 397 sterft hij.  Op 11 november wordt hij in Tours begraven. Deze 11de  november, de dag van zijn begrafenis dus, is zijn feestdag geworden.


Het Sint-Maartensplein in Brugge

Het kleine plein lag vroeger midden het handelskwartier van de Engelsen en de Schotten. Het werd dan ook de Schottenplaats genoemd. In het begin van de 16de   eeuw vertrokken de Schotten en de herinnering aan hen deemsterde stilaan weg.

Op de hoek van de Korte Riddersstraat en de Boomgaardstraat stond een huis, genaamd Sint Maarten, dat in 1640 herbouwd werd en waarbij in de gevel een steen werd ingemetseld met de beeltenis van Sint-Maarten. Die naam kwam in gebruik als plaatsaanduiding.

De beide namen werden nog een tijd samen gebruikt, zoals in 1579: Sint-Maertensplaetse ofte Schottenplaetse.

Wat thans het Sint-Maartensplein is, kan moeilijk als een volwaardig plein worden beschouwd, eerder als een straatverbreding, net voor de Sint-Walburgakerk.

De Sint-Walburgakerk

De Sint-Walburgakerk is een barokke kerk aan het Sint-Maartensplein in Brugge. De parochiekerk is een voormalige jezuïetenkerk. Het is de kerk van één van Brugges oudste parochies. Haar geschiedenis gaat terug  tot de achtste eeuw, toen niemand minder dan de Heilige Walburga naar Brugge kwam om hier een kerk te stichten.

Op de plaats van de kerk stond vroeger een kapel die door de Heilige Walburga zou gesticht zijn in 745.  Die allereerste bidplaats zou reeds in 1240 de parochie van Sint-Walburga genoemd worden.  Een eerste, gotische kerk stond ietwat verder zuidwaarts. Ze is te zien op de kaart van Marcus Gerards van 1562. 


De eerste Sint-Walburgakerk op de kaart van Marcus Gerards uit 1562


Deze raakte echter bouwvallig en in 1777 kende men de voormalige jezuïetenkerk toe aan de parochie. De oude kerk werd afgebroken. In de periode 1619-1643 werd de huidige kerk gebouwd door jezuïetenbroeder Pieter Huyssens, die ook de plannen tekende voor de Carolus Borromeuskerk in Antwerpen en de Sint-Pieterskerk van Gent. Het jezuïetenklooster werd in 1773 opgeheven en de kerk werd gesloten. De toren is echter nooit afgewerkt wegens geldgebrek.

Op 14oktober 1641 (sommige bronnen vermelden 14 november 1642) werd de kerk toegewijd aan de Heilige Franciscus-Xaverius. De Xaveriuskerk zou niet lang van de jezuïeten blijven. De Oostenrijkse Keizer Jozef II ontbond de orde in 1772. De leegstaande Xaveriuskerk werd op het einde van de 18de eeuw gebruikt door de parochianen van de bouwvallige (oude) Sint-Walburgakerk. Op die manier werd de Xaveriuskerk de Sint-Walburgakerk in 1779.


De Sint-Walburgakerk (foto: Paul M.R. Maeyaert)


Weer niet voor lang echter. Onder het Franse bewind zou de (nieuwe) Sint-Walburgakerk voor enkele jaren tot de “Tempel van de Rede” verheven worden. Na het vertrek van de Fransen werd het gebouw dan weer de parochiekerk van Sint-Donaas, nadat de Sint-Donaaskathedraal op de Burg was afgebroken.

Pas in de loop van de 19de eeuw werd de kerk eindelijk weer de parochiekerk van Sint-Walburga.
(bron: Wandeling 4, ’t Gezellekwartier, door Bob Warnier, in een uitgave van de West-Vlaamse Gidsenkring, pg 35-36)

Ook in deze voormalige jezuïetenkerk heeft  Guido Gezelle een rol gespeeld. Hij was er onderpastoor van 1865 tot 1872.  De straat tegenover de kerk is de Korte Ridderstraat. Tegen de gevel van het huisnummer 5 herinnert een gedenksteen aan Guido Gezelle toen hij benoemd was tot onderpastoor op de Sint-Walburgaparochie. ..

Als onderpastoor van Sint-Walburga verbleef hier
Guido Gezelle 1865-1867.
Hier stichtte hij “Rond den Heerd”
VTB 23 juli 1939

Nota: De data kloppen niet precies! Guido Gezelle woonde op dat adres van 1865 tot 1872 !

De oude Sint-Walburgakerk (zie kaart van Marcus Gerards uit 1562)

De oudste vermelding van de oude Sint-Walburgakerk dateert van 1214. De kerk deed toen dienst als grafelijke kapel. In 1239 werd de kapel door de graven van Vlaanderen aan de bisschop van Doornik geschonken voor de omvorming tot een parochiekerk.
In de loop van de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw kende de kerk heel wat verbouwingen en uitbreidingen, maar in 1781 verdween het kerkgebouw.


De oude (eerste) Sint-Walburgakerk op een tekening van
Jan Beerblock


Sint-Maartensfeest.

Het feest van Sint Maarten kadert in een reeks van Lichtfeesten die zich uitstrekt van Halloween (eind oktober) tot Maria Lichtmis (begin februari).

Elf november staat daarbij ook even ver van Kerstmis af (zes weken) als Aswoensdag van Pasen. Er zijn streken geweest waar de advent oorspronkelijk zes weken duurde. Mogelijk volgde de advent een vóór-christelijke gewoonte om vanaf begin november tot Lichtmis (2 februari) iets met licht te doen in de duisternis. Het rondgaan met Sint Maartenslampionnetjes in diverse streken zou daarop kunnen wijzen.

Op verschillende manieren heeft men in de loop der tijden de herdenking aan Sint-Maarten gevierd. Bekend zijn de vuren, die op de 11de november werden ontstoken en de zogenaamde Sint-Maartens-schuddekorf.

Boven een vuur hing een mand gevuld met herfstvruchten, die telkens werden geschud. De kinderen grabbelden naar de geroosterde vruchten. Het feit dat Sint-Maarten samenviel met het eindigen van de oogst, maakte 11 november tot een nieuwjaarsdag voor de boeren. Dan betaalden zij hun pacht en vierden feest.

Ook werd de 11de  november de slachtdag bij uitstek. Wellicht dat het vieren van de oogst en het slachten de aanleiding zijn geweest dat armen langs de boerderijen gingen om iets extra´s te vragen.

In België leeft de traditie met name sterk in veel plaatsen in West-Vlaanderen, in de streek rond Aalst en in een paar (deel)gemeenten van en rond Dendermonde.

Sint-Maarten wordt niet overal op dezelfde wijze gevierd. In sommige plaatsen worden optochten georganiseerd. De kinderen maken lampionnen of hollen suikerbieten uit en gaan met de lichtjes langs de deuren. Daar zingen ze Sint-Maartensliedjes en krijgen in ruil snoep of fruit.

In sommige West-Vlaamse dorpen wordt het van deur tot deur gaan "ruusbuzen" genoemd, naar de eerste woorden van het liedje dat de kinderen zingen:"Ruus buus buus".

Ruus buus buus is sinte-moarten nie tuus
Ej gin appeltje of e pèrje vor uus
We stoan ier te kiek'n, begin mo te smiet'n
We gon ier nie mè lange stoan,
we gon naar een andere plekke goan.

Een ander bekend liedje is het volgende:

Sint Maarten, Sint Maarten.
De koeien hebben staarten.
De meisjes hebben rokken aan.
Daar komt Sinte Maarten aan.

In bepaalde streken in Vlaanderen neemt Sint-Maarten de taak van Sinterklaas over. Het sinterklaasfeest wordt hier traditioneel niet of veel minder uitgebreid gevierd. De verschillen van dorp tot dorp kunnen groot zijn. 

In Ieper komt Sint-Maarten de avond voor 11 november aan met de boot. Dan staan alle kinderen hem en zijn pieten op te wachten aan de kaai (Ieperlee). Daarna gaan ze in een grote stoet naar de Grote Markt.

In Sijsele (een Sint-Martinusgemeente) wordt er dan weer enkel een Sint-Maartenstoet gehouden (op de vrijdagavond het dichtst bij de 11de november), maar speelgoed krijgen de kinderen alleen bij Sinterklaas. In Loppem (eveneens een Sint-Martinusgemeente) bellen de kinderen op 10 november aan bij alle huizen om lekkers te krijgen.

Oorsprong van het Sint-Maartensfeest.

Over de ontstaansgeschiedenis van het feest wordt veel gespeculeerd. Er wordt aangenomen dat het feest wellicht  terugaat op een Germaans winterfeest.

Voor het christendom in onze streken verkondigd werd, beleefden de Kelten en Germanen hun eigen geloof. De christelijke verkondigers vervingen vaak de Germaanse rituelen en feesten door christelijke betekenissen en figuren. Dit gebeurde ook met Wodan, van de Germanen. In vele streken werd Sint Maarten zijn plaatsvervanger. Heel wat oude gebruiken werden verchristelijkt en zijn in de Sint-Maartensvieringen terecht gekomen. Wat geldt voor Sint-Maarten geldt trouwens in de meeste gevallen ook voor Sint-Nicolaas.

Men veronderstelt een heidense oorsprong van het feest: het ronddragen van het (heilige) vuur zou een voorchristelijk vruchtbaarheidsritueel zijn, wijdverspreid over West-Europa. Het heidense ritueel zou dan door de kerk zijn overgenomen, vooral om het vertrouwen van de bevolking te winnen.


De beeltenis van Sint-Maarten 
in de gevel op de hoek van de Korte Ridderstraat te Brugge


Sint-Maartensliedjes

Er zijn talloze Sint-Maartensliedjes. Veel liedjes hebben een humoristische lading, al zijn er ook nog oude bedelliedjes. Sommige liedjes komen in het hele taalgebied voor, andere liedjes komen slechts in een klein aantal dorpen voor. De liedjes staan in een lange, orale traditie. Het oudst bekende Sint-Maartensliedje is het volgende:

Stoockt vier,
maeckt vier,
Sinte Marten komt hier
Met syne bloote armen
Hij soude hem gheerne warmen.

De regels van dit lied komen nog in diverse bestaande Sint-Maartensliedjes terug. Ook voor andere liedteksten geldt dat ze heel oud zijn, wat blijkt uit de grote verspreiding ervan.


Weerspreuken over Sint-Maarten

Over Sint-Maarten bestaan er heel wat weerspreuken. Een selectie: 

Is het donkere lucht op St. Martijn,
zo zal het een zachte winter zijn,
maar is dag van St. Martijn helder,
de vorst dringt door tot menig kelder.

Als het nevelig is met St. Martijn,
dan zal de winter niet koud zijn,
maar heeft de Sint een witte baard,
dan blijft ons sneeuw nog ijs gespaard.
   
Al moet St. Maarten een mantel dragen,
hij moet toch wandelen in zomerse dagen.

Donkere St. Maarten,
lichte Kerstmis.
   
De Misse van St. Maarten,
brengt ons de winter in 't herte.

Als het blad niet valt voor St. Martijn,
zal 't een strenge winter zijn.
   
Staat met St. Maarten op 't ijs de gans,
zo houdt ze Kerstmis in 't water een dans.

Is om St. Maarten nog loof aan de bomen,
zo moogt ge van een strenge winter dromen.
   
Als op St. Maarten de ganzen op het ijs staan,
moeten ze Kerstmis door het slijk gaan.

Blad aan de bomen met St. Martijn,
dan zal het een strenge winter zijn.
   
Nevels in de St. Maartensnacht,
maken de winter kort en zacht.

Na het feest van St. Maarten,
krijgt de winter schone kaarten.
   
St. Martinus warmte en regen,
brengt het zaad geen grote zegen.


St. Maarten zet zich met veel dank,
bij het haardvuur op de bank.  


Geen opmerkingen:

Een reactie posten