dinsdag 18 november 2014

De legende van Maria Moreel en Sibylla Sambetha

Wie langs de Spiegelrei wandelt denkt allang niet meer aan Justus Moreel en zijn dochter Maria.

Justus Moreel was op het einde van de vijftiende eeuw raadsheer en stadsontvanger te Brugge. Een ernstig man voor een ernstige taak.
Hans Memling heeft hem en zijn familie vereeuwigd in de Moreeltriptiek.

Maria was de oudste, de stilste, de mooiste van zijn dochters, en ... toch werd ze non.

In een gezin waar er elke nieuwe lente een nieuw kindje bijkwam, was er bezigheid in overvloed voor Maria. Zij vulde haar dagen door moeder te helpen in de voortdurende zorg voor broertjes en zusjes.

In de weinige vrije uren die haar restten kloste ze kant of speelde ze op haar spinet.

Toen keizer Maximiliaan Brugge kwam straffen, werden zijn officieren ingekwartierd bij de voornaamste burgers van de stad. De Moreels kregen een jonge Oostenrijkse vaandrig toegewezen: Freiherr Frederik von Hohenstein. Hij was een ranke dertiger. Voornaam in woord en manieren charmeerde hij de meisjes Moreel.

Zij kibbelden om zijn laarzen te poetsen. Zetten hem aan tafel de beste stukjes voor en smokkelden briefjes onder zijn hoofdkussen.

Frederik bleek echter alleen maar oog te hebben voor de stille Maria. Ze deed alsof ze zijn verliefde blikken niet zag maar haar zusters zagen maar al te goed wat er in haar omging.

Maria, die zich nooit met jonge kerels ingelaten had, bloeide nu plotseling open als een roos. Haar ogen kregen een nieuwe glans. Maria ging zelfs meer aandacht aan haar uiterlijk besteden. Tot, ... vader Moreel de andere zusjes hoorde fluisteren en giechelen. Hij was een man van cijfers en wetten, maar als het om de eer van een van zijn dochters ging, stond hij wel met beide voeten op de aarde.

Liefde maakt blind, maar zowel Frederik als Maria zagen maar al te goed dat vader Moreel helemaal niet opgezet was met de
groeiende vriendschap tussen hen tweeën.

Vriendschap? Iedereen zag dat het meer dan vriendschap was, hoewel de twee verliefden hun gevoelens zoveel mogelijk voor de anderen geheim poogden te houden.  Vaders zijn niet blind!

En toen Frederik Maria bedacht met een heuse zwaan als verjaardagsgeschenk, zei hij zijn dochter ronduit zijn mening: “Ben je nu helemaal gek geworden,  Maria? Een Oostenrijker! Een officier. Zulke zwervers hebben in ieder stad een ander schat. Jij laat die kerel. Ik wil niet langer dat jij omgang met hem hebt!”

Maria zweeg, een traantje in haar ogen. Had haar geliefde haar niet eeuwig trouw gezworen? Was hij niet lief? En van goede familie?

Vader Moreel probeerde eerst met zachtheid zijn oudste dochter te
overtuigen. Hij overlaadde haar met juwelen en vreemde snuisterijen die hij van de markt meebracht.

Maar Maria zweeg verdrietig. Koppig? Nee, daar had ze een te zacht karakter voor. Daarna maakte Moreel zich boos. Maria bleef zwijgen.

Op een dag vertrok Maximiliaan en Frederik verdween met de noorderzon. De trouw aan het vaandel, bleek sterker te zijn dan zijn trouw aan Maria.
Hij liet haar een brief achter vol ijdele beloften. Had vader Moreel dan toch gelijk?

Maria kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Ze verwaarloosde haar werk, liet haar kantkussen voor wat het was en raakte zelf haar spinet niet meer aan.
Elke dag zat ze in de tuin aan de oever van de vijver waar de zwaan onbewogen heen en weer over het water dreef.




Op een zekere dag wilde Maria het dier voeren, zoals ze reeds zo vaak had gedaan. Maar de zwaan stevende wild met de vleugels klepperend op haar toe. Maria stak sussend haar hand naar het zenuwachtige dier om het te kalmeren, maar de zwaan pikte haar in de arm dat het bloed uit een diepe wonde stroomde.

Maria vluchtte gillend naar haar kamer. Dagenlang lag ze ziek te
bed.  Alsof de zwanensnavel haar treurend hart geraakt had. Geen dokter die wist wat het meisje scheelde. Niemand kon haar helpen.

Toen werd Justus Moreel zo woedend, dat hij zijn dolk greep en de zwaan de hals oversneed. Maria kleedde zich in het zwart alsof ze rouwde om de zwaan. Of was het om haar gebroken hart?

Zij kwam haar kamer niet meer uit. Bleef stom en stil voor zich uit staren en antwoordde op geen enkele vraag.

Op een avond werd het Justus Moreel te machtig. Hij rende driftig de trap op, klopte op de deur van Maria's kamer en zakte ineen. Zijn vaderhart kon het leed van zijn meest geliefde dochter niet aan.

Drie dagen na de begraving verdeelde Maria haar juwelen en snuisterijen onder haar zusters en trad binnen in een klooster. Ze werd non.

In het Sint-Juliaans gasthuis in de Boeveriestraat ging ze de ongelukkigen verplegen, van wie de geest nog meer in verwarring was dan de hare.

Langzaam herstelde zij, maar de vroegere Maria werd ze nooit meer. Haar enig vertier was, elke avond weer, een lange wandeling langs de Boeverievest en de Singel.

Op zekere avond kwam een zwaan, groter en blanker dan alle zwanen die Maria ooit gezien had, met ontplooide vleugels naar haar toe gezwommen. Deze zwaan bleek een boodschapper van de Here te zijn. Maria was er sterk van overtuigd, want korte tijd daarna kwamen hele benden zwanen naar de
Brugse Reien en elke avond ging Maria ze voederen.

Toen zuster Moreel veertig was, nog altijd even zwijgzaam, werd ze abdis van het Sint-Juliaans gasthuis. De Duitse schilder Hans Memling heeft daar haar portret geschilderd. Maar niemand weet het nog. Iemand heeft er later
opgeschilderd: Sibylla Sambetha.  Maar het is … Maria Moreel.

Dromerig kijkt ze voor zich heen. Ze kijkt in de verte, in de richting van de Alpen, en ze droomt van haar lieve Frederik von Hohenstein.

(Naar de tekst van Johan Ballegeer, Honderd Brugsche legenden-1984)

Waar of niet waar?

De Brugse familie Moreel is wel degelijk historisch, maar de Brugse burgemeester die de opdrachtgever was van het bekende triptiek van Hans Memling heette niet Justus, maar Willem Moreel.

Wie is Sibylla Sambetha ? Men heeft haar menen te ontdekken tussen de dochters van Willem Moreel en Barbara van Vlaenderbergh voor wie Hans Memling herhaaldelijk bestellingen heeft uitgevoerd. Maria, de tweede dochter van deze Brugse burgemeestersfamilie, zoals zij is afgebeeld op de rechterluik van het bekende Christophorus-triptiek (1484) uit het Brugse Stadsmuseum, zou de persoon in kwestie zijn.

Maar op het werk van 1484 echter staat zij jonger voorgesteld dan op dit portret dat luidens een inscriptie op de lijst in 1480, vier jaar vroeger dus, tot stand kwam. Men voelde zich aldus verplicht deze identificatie prijs te geven.  Mogelijk is zij één of andere verwante van de familie Moreel.

De 16de eeuw heeft in haar één van de sibillen gezien, legendarische profetessen die de komst van de Verlosser voorspelden, doorgaans als jonge vrouwen voorgesteld. De geheimzinnige uitdrukking op haar gelaat en de schouwende blik van haar ogen hebben kennelijk tot deze interpretatie aanleiding gegeven.


De Moreeltriptiek, Hans Memling, 1484, Groeningemuseum Brugge

De Moreel-triptiek waarin zich de essentie van Memlings kunst weerspiegelt, ontstond in 1484 in opdracht van Willem Moreel, een belangrijk Brugs politicus en zijn echtgenote Barbara van Vlaenderbergh alias van Hertsvelde. Het werk was bestemd voor de Brugse Sint-Jacobskerk, waar het echtpaar later begraven wilde worden. In de nabijheid van hun grafplaatsen lieten zij een altaar oprichten, met de triptiek als retabel. Die omstandigheden verklaren de uitgebeelde taferelen.
De Moreeltriptiek is een van de voorlopers van het Vlaamse groepsportret.


Moreeltriptiek



Sibylla Sambetha, Hans Memling, 1480, Sint-Janshospitaal Brugge

Wie aan Memling denkt, denkt aan het Sint-Janshospitaal. Dit werk, algemeen aan de meester toegeschreven, wordt er slechts toevallig bewaard. Vóór 1815 bevond het zich in het thans verdwenen Sint-Juliaans gasthuis van deze stad.


de Sibylla Sambetha van Hans Memling

De schilder heeft deze vrouwenfiguur weergegeven met ietwat grote en brede neus, met ogen die elk menselijk contact mijden en met een mond die angstvallig gesloten blijft. Toch is deze van nature minder bekoorlijke vrouw gesmukt naar de mode van haar tijd:

Aan haar handen telt men zeven ringen en de linker ringvinger alleen heeft er vier. Haar wenkbrauwen zijn geëpileerd en het haar op het voorhoofd is zo hoog uitgetrokken dat het nog maar met moeite merkbaar blijft onder het hoofddeksel. Een zijden doek bedekt op geraffineerde wijze een gedeelte van het gelaat.

Het zwarte kleed dat zij draagt met slechts een vleugje rood en groen symboliseert geen wereldvreemdheid of rouw maar was de verfijnde mode van het in pracht schitterende Bourgondische hof.

De schilder heeft haar voorgesteld als staande voor een open raam. Met haar vingers overschrijdt zij even de grenzen van het paneel, de vingertoppen van de rechterhand liggen op de onderregel van de lijst, als een stenen vensteromraming opgevat.

Men wordt geïntrigeerd door deze figuur. Van nature eerder karig bedeeld en toch naar de mode gekleed. Men vraagt zich af waarom het personage naar buiten ziet, niet om de dingen van elke dag met aandacht te bekijken, maar om er dromend overheen te staren.

Staat men hier voor een gezicht dat de schilder in de eerste plaats met zijn geestesoog heeft gezien of voor een eigenlijk portret ? Wie het werk op zichzelf beschouwt en zich laat bekoren door de wijding en de ademloze stilte die over het geheel hangt, zou kunnen twijfelen.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten