vrijdag 21 november 2014

De legende hoe de begijntjes het Heilig Bloed terugvonden.

In een andere legende, die over de Blinde Ezelstraat, hadden we het al eens over de slag bij het Beverhoutsveld. Het zat er weer bovenarms op tussen de Bruggelingen en de Gentenaren. Die dag, op 3 mei 1382, kregen de Bruggelingen nu eens zoveel klop als ze wilden

Omdat in Brugge die dag de Heilig Bloedprocessie uitging waren de meeste Bruggelingen of te dronken of te moe om  een degelijk robbertje te vechten. De Gentenaren hadden hun dag dus goed gekozen.

Brugge dolf het onderspit. De Gentenaars, onder leiding van Filip van Artevelde  - niet te verwarren met Jacob van Artevelde - staken het kasteel van Male in brand en vonden de poorten van de Gentpoort geopend. Ze stormden de stad binnen, op hun tocht een spoor van bloed achterlatend.

De noodklok werd geluid en al wat benen had vluchtte langs de Smedenpoort naar Sint Andries. Paters, pastoors en nonnen, burgers…, 't sloeg al op de vlucht, en de kapelaan van de Bloedkapel stond daar plotseling moederziel alleen op 't Wijngaardplein met Brugges kostbaarste bezit aan een ketting om zijn hals: De relikwie van het Heilig Bloed.
Hij hoorde de Gentenaars al 't Wijngaardstraatje binnenstormen. Wat moest hij doen?  Ten alle prijze wou hij voorkomen dat de relikwie in Gentse handen viel. In paniek gooide hij die dan maar in het water van de Reie.

Alsof de zwanen van Brugge ons Heren Bloed wilden beschermen, kwamen ze zachtjes boven de kristallen fiool met de zilveren kroontjes zwemmen. Maar niemand die daar toen oog voor had natuurlijk. Er waren andere katten te geselen…

Nadat de Gentse knokploegen, met als buit de Brugse draak, weer huiswaarts waren getrokken, zochten de beschaamde Bruggelingen vruchteloos naar de relikwie van het Heilig Bloed. Zowel de kapelaan als het kostbaar kleinood bleken spoorloos verdwenen.

Maar 't leven hernam nadien stilaan zijn gewone gang. Er waren er zoveel dood en er was dus weer werk voor iedereen. Er werd weer handel gedreven en wol geweven. Tegen beter weten in had iedereen het er over hoe driest het was van de Gentenaren om “hun” Heilig Bloed te komen stelen.

Op zekere dag moest een jong begijntje een hele partij wol wassen in het Bakkersreitje. Dat was één van haar dagelijkse bezigheden.

Plotseling zag ze hoe een groepje zwanen steeds maar in een grote ronde boven een bepaalde plek bleven drijven.

“Maar die zwanen doen toch eens vreemd…” , dacht ze, “dat heb ik nu nog nooit gezien”.
Ze keken nu eens naar het begijntje, dan weer in het water, maar ze doken er hun lange halzen niet in. Precies of ze zeggen wilden: “Kom toch ook eens kijken wat wij hier op de bodem gevonden hebben.”  Het begijntje kon haar vrouwelijke nieuwsgierigheid niet bedwingen, en daarbij… nieuwsgierigheid is geen zonde.

Voorzichtig ging zij kijken wat die zwanen daar speelden. Zij zag iets wonderbaars ... Een mooie zilveren ketting glinsterde in het heldere water.  Er hing een kristallen en zilveren juweel aan.

“Een zilveren ketting!”, schrok zij, “de duivel wil mij bekoren. Juwelen zijn niets voor begijntjes." Maar toch kon zij niet laten om alles aan de grootjuffrouw te vertellen. 

Met twee begijnen die van geen kleintje vervaard waren  trok de grootjuffrouw naar de Reie. De zwanen waren nog steeds op dezelfde plaats rondjes aan het draaien. Met een lange stok visten de begijntjes de zilveren ketting uit het water op. Wat waren ze verrast toen ze de relikwie van Onze-Lieve-Heer herkenden. Ze knielden neer, sloegen een kruis, kusten de relikwie en zetten een hele litanie lofgezangen in. Ze hadden nog nooit zo mooi gezongen. De begijntjes droegen in processie de relikwie naar de begijnhofkerk.

Ze hebben er ook nog een schilderij van laten maken. Om het geheel nog historischer te maken, lieten ze er de graaf en de gravin ook bijschilderen. Het schilderij hangt nog steeds in de begijnhofkerk.

Je kunt denken hoe blij ze te Brugge waren. Nu konden ze weer jaarlijks de Heilig Bloedprocessie door de Brugse straten laten trekken. En dat doen ze nu nog steeds elk jaar, op Brugges mooiste dag: Heilig Bloeddag.




De geschiedenis van het Brugse Begijnhof.

Terwijl voor de meeste traditionele kloosterorden gemakkelijk een precieze oprichtingsdatum en een stichter kunnen worden teruggevonden, duiken de begijnen tegen het einde van de twaalfde eeuw plots als uit het niets op.

Lange tijd werd gedacht dat het lag aan het feit dat veel mannen in die tijd op kruistocht trokken, en hierdoor zou een 'overschot' aan vrouwen zijn ontstaan. Deze veronderstelling berust echter op een twijfelachtige hypothese.

Een verklaring moet veeleer gevonden worden in de talrijke religieuze bewegingen die vanaf de twaalfde eeuw ontstonden als reactie tegen de misstanden in de kerk. Men greep daarom terug naar de idealen van de eerste christenen en naar de grondslagen van het evangelie.
Anders dan kloosterlingen wensten de begijnen geen geloften van gehoorzaamheid, eeuwige trouw en van armoede af te leggen. Evenmin hadden ze een goedgekeurde regel, maar ze waren wel bereid in kuisheid een leven te wijden aan contemplatie, gebed, handenarbeid, ziekenzorg en liefdadigheid.

De geschiedenis van de begijnen in Brugge begint officieel in 1242. In een document uit dat jaar zegt Johanna van Constantinopel de Brugse begijnen haar bescherming toe. Men vermoedt dat de eerste begijnen al rond 1225 in de stad opdoken. De begijnen, die eerst nog verspreid in de stad leefden, groepeerden zich en vestigden zich op een moerassig stuk grond dat toen bekend stond als Vinea supra Roiam, of Wijngaard op de linkeroever van de Reie.




Die locatie was voor de begijnen dubbel voordelig. Enerzijds lag ze bij het stromend water van de Reie, wat het wassen van wol en linnen, één van de typische bezigheden van de begijnen, vereenvoudigde. Anderzijds lag de Vinea supra Roiam vlak naast het Sint-Janshospitaal. Dit was vrij gunstig aangezien de ziekenzorg een andere hoofdbezigheid was voor begijnen.

De gouden periode van het begijnhof kende in het begin van de veertiende eeuw een voorlopig einde. Door overstromingen gedwongen moesten de Brugse begijnen in 1315 tijdelijk hun hof verlaten en in het Kortrijkse begijnhof onderdak zoeken.

In 1317 verbood de toenmalige paus Johannes zelfs de begijnen, maar het verbod werd nauwelijks een jaar later alweer opgeheven, en de Brugse orde is van dan af vele jaren blijven groeien.

In 1322 vaardigde paus Johannes een bul uit waarin hij de begijnen als Rooms-katholieke gemeenschap erkende.

In de vijftiende eeuw was het begijnhof op haar grootst. Zo leefden er in het jaar 1441 zo'n 152 begijnen verspreid over 11 conventen.

In 1584 werd de begijnhofkerk door een brand vernield. In 1605 werd de bouw van een nieuwe kerk voltooid.

In de zeventiende eeuw werd het aristocratisch karakter van het begijnhof nog versterkt. Enerzijds leidde de instroom van rijke begijnen tot een sterke economische bloei van de instelling. Anderzijds was het opkomende fenomeen van individueel levende aristocratische begijnen nefast voor het conventsleven in het Brugse begijnhof.

Aan de bloei die het Brugse Begijnhof in de zeventiende en achttiende eeuw kende kwam tijdens de Franse bewind, aan het einde van de achttiende eeuw, een bruusk einde. De nieuwe bewindvoerders legden strenge regels op. De begijnen mochten ter plaatse blijven, maar een kloosterkleed werd verboden, evenals de aanvaarding van nieuwe kandidaten.

Hoewel deze bepalingen later weer werden versoepeld, ging het de begijnen in de negentiende eeuw allerminst voor de wind. Aanvankelijk verkreeg de grootjuffrouw nog een jaarlijks uitkering van de Commissie, maar door toedoen van liberale polemieken viel ook deze laatste strohalm in de tweede helft van de negentiende eeuw weg. De gevolgen bleven niet uit. Een drastische daling van het aantal nieuwe begijnen werd gevolgd door een verloedering van het koorleven en het patrimonium. In 1856 telde het begijnhof nog dertig bewoners, in 1925 slechts zeven.




Uiteindelijk koos de laatste grootjuffrouw, Geneviève de Limon Triest (1874-1971), in nauwe samenwerking met priester Rodolphe Hoornaert (1886-1969), in 1927 voor de oprichting van een nieuwe kloostergemeenschap van Benedictijnse zusters die het Brugse begijnhof voortaan zou bewonen.

Rodolphe Hoornaert werd in 1922 aangesteld als begijnhofpastoor van de paar resterende begijnen. Deze wist af de plannen van het stadsbestuur: zij wilden het hof tot arbeiderswijk of ziekenhuisgebouw omvormen. Hoornaert stelde alles in het werk om het begijnhof te behouden. Hij kwam in contact met Franse Benedictinessen die het begijnhof wilden besturen. De huizen werden opgeknapt, een kloostergebouw werd gereconstrueerd en de gevels werden gewit.

Alvorens het hof te betreden tref je de begijnhofpastorie waar pastoor Hoornaert woonde. Zijn gedenksteen zit in de zijmuur ingemetseld. De sierlijke brug over het water en de poort dateren van 1776.




Boven de poort is het woord 'Sauvegarde' uitgehouwen, wat zoveel betekent als 'beschermend en beveiligend toevluchtsoord'. In de nis daarboven zien we de beeltenis van de heilige Elizabeth van Hongarije, de patrones van het Hof. Een opmerkelijk feit is dat de poort, in navolging van een eeuwenoude traditie, nog elke avond gesloten wordt.




Het Brugse begijnhof is van het pleintype, en heeft een winkelhaakvorm. Een dertigtal witte huisjes omgeven het grasveld. De oudste huizen zijn uit de zestiende en zeventiende eeuw. De kerk staat niet, zoals gebruikelijk in begijnhoven, in het midden, maar aan één van de zijden…

Bronnen:
-      Marceau Dewilde – 1993, zie : http://www.zaan.be/lib/teksten/begijnhof.html
-      Odis  ODIS - Database Intermediary Structures Flanderszie:
http://www.odis.be/pls/odis/opacuvw.toon_uvw_2?CHK=OR_31610
-      Veel informatie vindt U op : Begijnhoven in Vlaanderen, zie http://www.tento.be/OKV-artikel/begijnhoven-vlaanderen
-      Begijnhofqueeste, zie: https://begijnhovenqueeste.wordpress.com/tag/brugge/




De Heilig Bloedprocessie.

De Brugse Heilig Bloedprocessie, die zeker teruggaat tot 1304, gaat elk jaar uit op Hemelvaartsdag.  Ondanks de veranderingen die de optocht in de loop der eeuwen heeft ondergaan, blijft de diepste spiritualiteit ervan beheerst door de herinnering aan het lijden van Jezus Christus. Naar aanleiding van het Heilig Jaar (2000) werd de processie vernieuwd en geactualiseerd.

Sinds jaar en dag wordt de processie thematisch in vier delen opgesplitst. In de eerste twee delen passeren taferelen uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament de revue. Bedoelde taferelen zijn opgevat in een stijl die herinnert aan de Bourgondische periode, toen gilden, ambachten, vertegenwoordigers van vreemde naties, broederschappen en rederijkerskamers instonden voor de vertolking ervan.

Zoals het past in een evocatie die het lijden van Jezus centraal stelt, wordt bijzondere aandacht besteed aan het Bijbelse passieverhaal. Volgens de overlevering bracht Diederik van den Elzas, graaf van Vlaanderen in 1150, na de tweede kruistocht, de relikwie van het Heilig Bloed mee naar Brugge. Sindsdien wordt het kostbare kleinood bewaard en vereerd in de Basiliek van het Heilig Bloed op de Burg.




Over de juiste historische toedracht zal men het wellicht nooit helemaal eens worden. Feit is dat de legende een schat aan authentiek volksgeloof en folkloristische charme in zich draagt.
In het derde onderdeel van de processie wordt die legende ten tonele gevoerd. Deel vier schetst de rijke traditie van de verering van de relikwie. Voorafgegaan door de leden van de Edele Confrérie van het Heilig Bloed dragen twee prelaten het gouden schrijn met de relikwie: een ingetogen moment dat een diepe indruk nalaat op de toeschouwers.

Sluitstuk van de Processie is de mobiele beiaard die feestelijke klanken over de menigte uitstrooit. Vele Bruggelingen hebben het niet langer over O.-L.-H.-Hemelvaart maar over ‘Heilig Bloeddag’ of ‘Brugges mooiste dag’.
Bron: Bamweb, zie: http://www.bamweb.be/bamweb/H_BLOEDPROCESSIE_BRUGGE_2014.html

Geen opmerkingen:

Een reactie posten