woensdag 29 oktober 2014

De legende van de Coudenbrouc

In de Cordoeaniersstraat 13, een ongeluksgetal inderdaad, woonde in 1510 een zekere Jan Claessens, deken van het gild der kleermakers, samen met zijn twee dochters Siska en Wanne. Zijn grote, diepe, houten huis reikte tot aan de Kraanrei. In die tijd was die reie nog niet overwelfd zoals nu het geval is. Er was zelfs een aanlegsteigertje met een bootje aan de achterzijde van het huis.  Jan was een rijk man en genoot veel aanzien onder de bevolking van Brugge.
  
Op zekere dag bood zich een vreemd heerschap bij hem aan. Het bleek een heer van Spaanse afkomst en heette Satabrilla. Hij vroeg Jan of hij twee kamers kon huren. Nu gebeurde het wel vaker dat vreemdelingen op zoek waren naar een verblijfplaats. In Brugge waren gouden zaken te doen en dit stadsdeel leefde van de vreemde zakenlui.

Twee kamers aan de achterkant waren nog vrij en de Spanjaard kon in klinkende munt betalen. Dus was het zaakje snel beklonken. Jan Claessens was blij met zulke rijke gasten. Dat verhoogde nog zijn aanzien. De kamers waren prachtig gestoffeerd. De muren waren behangen met Corduaans leer en de meubels kwamen uit de ateliers van de beste Brugse meesters.

Siska en Wanne hadden de vreemde sinjeur al eens eerder in de straat gezien. Hij had hen dan zo stout in de ogen gekeken, dat zij rood werden tot in hun mooie nekjes en giechelend in huis vluchtten.
.
Satabrilla installeerde zich als een Spaanse hidalgo. Hij betaalde ruimschoots en stipt de huur van de kamers en bedacht de heer des huizes met Griekse en Portugese wijnen van de beste kwaliteit. Voor de meisjes waren er bedwelmende parfums. Nu was het altijd vette keuken geweest bij de Claessens, maar sedert Satabrilla er logeerde hield men er feest na feest, en steeds weer zorgde de gulle gast voor heerlijke hapjes. Hoe hij het allemaal spartelvers hield, was voor iedereen een raadsel.

De enige die niet deelnam aan die uitbundige smulpartijen was Pieter, de neef en leerjongen van Jan Claessens. Pieter was verliefd op zijn nichtje Siska en de liefde was wederzijds. Maar tot een huwelijk was het nooit gekomen. Jan Claessens had wel iets beter in gedachten voor zijn oudste dochter.  En in Brugge zegt men nog steeds: "Neef en nicht vrijen dicht, maar trouwen niet licht."

Pieter wist van alles op te merken op het gedrag van Satabrilla, en hij werd groen van jaloezie als hij Siska rond de Spanjaard zag fladderen. Het onvermijdelijke gebeurde. Siska gooide haar lieve Pieter in de lappenmand, en dat is een hele vernedering voor een … kleermakersgezel. Satabrilla maakte zich maar vrolijk over de afgewezen vrijer. Hij vond Pieter een armoedige kleermaker die niet eens wist hoe hij mooie meisjes het hof moest maken.
Siska en Wanne bleken zelf niet zo wantrouwig als de jaloerse Pieter. Zij waren helemaal niet bang voor Satabrilla met zijn kushandjes en zijn Spaans geflikflooi. Hij deed al het mogelijke om in hun gratie te staan. Hij schonk hen kleurige linten en gouden oorbellen en Siska en Wanne liepen de godganse dag opgetut als echte prinsessen. Je weet hoe ijdel en eigenwijs meisjes kunnen zijn als ze het hoofd op hol gebracht worden.

Maar als een giftige slang sloop het bederf in de reine hartjes van die twee frisse bloemen. Wanne begon haar werk in het huishouden te verwaarlozen en Siska had noch oog noch oor meer voor Pieter.

Nochtans scheen de fameuze Satabrilla een tamelijk regelmatig leven te leiden, hoewel hij op grote voet leefde, zich kleedde als een fijne heer. Er was maar één ding dat erg bevreemdend was ... Hoewel hij nu al zes maanden bij Jan Claessens inwoonde had hij nog nooit eens een andere broek aangetrokken. Elke dag droeg hij dezelfde broek.

Claessens, die tenslotte kleermaker was, had zijn gast al verscheidene keren een nieuwe broek aangeboden in ruil voor de rijke geschenken waarmee hij de familie bedacht. Maar Satabrilla sloeg zijn aanbod vriendelijk en met een zekere luchthartigheid af. Op de duur werd hij zelfs kregelig toen zijn gastheer bleef aandringen.

Jassen, mantels, laarzen, hoeden en hemden had hij bij de vleet. Maar elke dag weer trok hij dezelfde broek aan. Siska en Wanne kregen er rare gedachten door. Dat was koren op Pieters molen. “Let maar op”, zei hij, “indien jullie eens wisten wat hij ’s avonds allemaal uitspookt… Als jullie rustig naar bed zijn stapt hij in het bootje achter het huis en vaart hij weg. En als het allemaal eerlijke zaken zijn, die hij uitvoert, waarom doet hij het dan op zo'n geheimzinnige manier?”

De volgende avond besloten de nieuwsgierige meisjes een onderzoek in te stellen. Toen het elf uur sloeg op de Halletoren gleden zij geruisloos uit hun bed. Zij gooiden een mantel om en slopen op de tippen van hun tenen naar de kamer van Satabrilla.  De kamer was leeg ... Het bed ook. ..

De boot is weg!” fluisterde Wanne je geschrokken. Siska stak een kaars op. “En hier ligt zijn broek” antwoordde ze. Nu waren de beide meisjes niet om een grapje verlegen en ze besloten Satabrilla’s broek weg te moffelen. Giechelend voerden ze hun plan uit. Zij genoten reeds van zijn verlegenheid als hij 's anderendaags zou vaststellen dat zijn enige broek spoorloos verdwenen was.

De volgende morgen sloeg het zeven uur op het Belfort, maar wie niet verscheen voor het ontbijt was Satabrilla. De hele ochtend liet hij op zich wachten. Geen mens te zien.  ‘s Middags verzamelden Siska en Wanne al hun moed. Samen gingen ze schoorvoetend naar de kamer van hun gast.  De kamer was leeg ... het bed was leeg ... alle kasten waren leeg ... hun Spaanse Don Juan was met de noorderzon verdwenen.

Nu waren ze wel verplicht hun vader alles op te biechten.  “Maar hoe is het in godsnaam mogelijk!” foeterde Jan Claessens. “Is dit nog een grap? Twee deftige meisjes! Hoe durven jullie de broek van een gast te verstoppen op jullie kamer?” Hij werd er zelfs rood van ergernis en schaamte bij. De bedremmelde zusjes stonden schuldbewust met het uitdagende kledingstuk tussen hen in.

Geef hier!” beval de vader. Als kleermaker kon hij niet nalaten de broek nader te onderzoeken. De meisjes wendden zedig de blik af. “Maar wat is dat?” hoorden zij hun vader verbaasd uitroepen. “Dat heb ik nu nog nooit gezien! Vooraan heeft de broek geen gulp en ... achteraan is er een rond gaatje.”  Jan Claessens had onmiddellijk begrepen dat de eigenaar van de broek niemand minder kon zijn dan de duivel in persoon.

De kleermakersdeken gooide de broek vol afgrijzen in de open haard. Een blauw vuur lichtte op. De vlammen knetterden oorverdovend.  Boven de broek steeg plotseling een vurige bliksem op, stinkend naar solfer en pek. Als een vlammend serpent schoot de bliksem uit de haard. De gordijnen schoten in brand. De tapijten vatten vuur. De vlammen likten langs het prachtig behang.  En voor Jan en zijn dochters goed bekomen waren van de eerste schrik, stond het huis in lichterlaaie.

Alle drie vluchtten ze in paniek het huis uit. De prachtige, houten herenwoonst brandde af van de kelder tot de zolder. Jan Claessens was een rijk man geweest. Maar toen de brand eindelijk geluwd was en de vurige slang met een hels geknetter kronkelend in de lucht verdween, was hij zo arm als Job. Van zijn bezittingen bleef geen stuiver over. Alleen in de uitgegloeide as van de haard vond men … de broek van Satabrilla.

Toen zei Pieter: “Meester, ik hou nog steeds van Siska. Laat mij met haar trouwen en kom bij mij inwonen tot ik het huis herbouwd heb.” Siska was maar al te blij toen haar vader toestemde.

In 1518 liet een bakker het huis in steen herbouwen. Boven de deur plaatste hij een gedenksteen met Siska en Wanne en de broek tussen hen in. Als een rebus voor "'k Hou den Broek" liet hij er onder beitelen: "dits in coudenbrouc. MVXVIII "


De gevelsteen "Dits in Coudenbrouc"


Zo heet het huis nog steeds. Als herinnering aan de bliksem die het vorige huis vernielde creëerde de bakker een nieuw gebakje. Het werd een echt succes in Brugge en ver daarbuiten. Hij gaf het de naam “éclair” verwijzend naar de bliksemschicht die het hele huis in vuur zette.
(Voor de tekst is gedeeltelijk geput uit het boek van Johan Ballegeer)


Het huis Coudenbrouc


Het pand in de Cordoeaniersstraat


Het huis ligt in één van de oudste kwartieren van de stad.  Enerzijds niet ver van de Burg en anderzijds vlak bij het bedrijvige handelskwartier van het Sint-Jansplein.  Meerdere rijke handelaar of ambachtsman moet hier zijn woning gehad hebben.  Wellicht heeft hier vroeger inderdaad een houten woning gestaan zoals er destijds velen waren in de stad. De gevelsteen illustreert de huisnaam en verwijst naar een pand gebouwd in 1518, misschien het jaar dat het huis van hout naar steen veranderde. Het dankt zijn naam wellicht aan een gelijknamige familie of bewoner. Met wat verbeelding maakte de verteller er “ic hou den brouc” van verwijzend naar de twee vrouwen in de gevelsteen die een broek vasthouden.

Gevelstenen werden ook geregeld gebruikt om een spreuk af te beelden. Het opschrift ‘dits in coude-brouc’ herinnert aan de huisnaam ‘Coudenbrouc’, maar de afbeelding doet meer vermoeden en doet denken aan “De Strijd om de Broek”. Hier tonen twee fiere vrouwen ostentatief dit mannelijke kledijstuk bij uitstek en verwijzen meteen naar de macht die ze op de man uitoefenen. Dit was een geliefd thema in de zestiende eeuw.

Vroeger had het pand een gotisch karakter en een puntgevel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden op verschillende plaatsen verspreid over het Brugse grondgebied voedselverdeelcentra voor noodlijdenden opgericht. De stad Brugge zelf had haar eigen Stadswinkel aan de Cordoeaniersstraat. Het opschrift op het raam vermeldt dan ook uitdrukkelijk dat deze winkel enkel bestemd is voor de burgers van de stad. De lijstgevel van dit huis dateert van 1820. Let ook even op de stootkarren en de mensenmassa voor de deur van de Stadswinkel.


Foto uit 1916 (Brugse Beeldbank)


De Cordoeaniersstraat

Deze straat werd genoemd naar de bewerkers van het Corduaans leer. Oorspronkelijk zullen daar dus Corduaniers gewoond hebben.  Het Corduaans leder, van geiten- en bokkenvellen, is fijn glanzig leer met een gladkorrelig oppervlakte genoemd naar de Spaanse stad Cordoba.
Een paar elementen uit deze legende zijn niet zomaar uit de lucht gegrepen. De gastenverblijven en woningen met een aanlegsteiger aan de Kraanrei zijn wel degelijk correct. De schrijver of verteller van de legende kan zijn inspiratie over het bootje gehaald hebben bij de kaart van Marcus Gerards uit 1562 waarop inderdaad een bootje te zien is dat aangemeerd ligt aan de kade van de Kraanrei achter het huis Coudenbrouc.


De Cordoeaniersstraat op de kaart van Marcus Gerards uit 1562


Brugge was in die tijd een wereldstad en de draaischijf van de internationale handel. Het is niet verwonderlijk dat vreemde handelaren voor korte of langere termijn een verblijf moesten vinden. Aangezien hotels nog niet echt bestonden logeerden de kooplieden vaak bij particulieren die een aantal kamers in hun woning ter beschikking stelden.

Soms ontstond er zo’n vertrouwensband tussen gastheren en vreemdelingen. Sommigen gastheren boden op de duur nog andere faciliteiten zoals stapelruimte, of beheerden de geldzaken van hun gasten, zodat ze uitgroeiden tot echte bankiers. De meest bekende onder hen is de familie Vanderbeurze die hun naam gaf aan het beurswezen in Europa.

De familie Van der Beurse is onder die naam bekend vanaf het begin van de 13de eeuw.  De familie behoorde tot de patriciërs van de stad. Enkele onder hen waren actief binnen het stadsbestuur en een paar onder hen bereikten het hoogste ambt, dat van burgemeester van de schepenen. Ze bezat een zijkapel in de kerk van de paters augustijnen. Voorts was ze eigenaar van een aantal panden aan het Oude Beursplein: de Cleene Beurse (thans gereconstrueerd), Ter Beurse (bewaard) en Ter Ouder Beurse (verdwenen) vormden samen een complex van herbergen waar buitenlandse kooplieden verbleven.


(foto Rudy Vandeputte)

De familie Van der Beurze leefde adellijk, met onder meer een nar in vaste dienst. Ze bezat lenen en heerlijkheden en nam deel aan adellijk tijdverdrijf zoals aan de steekspelen van het ridderlijk gezelschap van de Witte Beer. Ze namen deel aan veldslagen en sommige werden tot ridder geslagen. Soms vielen ze in ongenade bij de heersers. In de latere generatie werd men raadsheer van de Bourgondische hertog.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten