donderdag 30 oktober 2014

De legende van Annaatje van 't Pitje

Als je de Carmersstraat in de richting van de molens gaat was er ooit op de hoek van de “Corte Speelman Straete” een waterput aan de rechterkant van de straat. De waterput is zelfs te zien op de kaart van Marcus Gerard uit 1562.


klik in de kaart om een grotere afbeelding te bekijken

Hier kwamen de vrouwen en de meisjes uit de wijk met emmers en ketels water putten. Vooral als het wasdag was en de vrijdag als de huisjes schoon geboend werden, was er een drukte van je welste bij dat putje. Ondertussen vertelden ze elkaar giechelend de laatste nieuwtjes uit het gebuurte.

Annaatje stond altijd de laatste in de rij. Zij werd door de andere meisjes op zij geduwd. Ze was een wees. Het meisje was nochtans van heel wat betere afkomst dan haar buurmeisjes. Haar ouders waren rijke boeren geweest.  Maar moeder stierf in 't kraambed en haar vader dronk zich van verdriet het graf in.

Colette, de meid, had zich over Annaatje ontfermd.  Zij was ermee in de buurt van het Engels Klooster in een klein huisje komen wonen. Het kind had alle ziekten doorstaan die de dokters toen al uitgevonden hadden: de stuipen, de mazelen, de pokken en nog zeven andere plagen. Het arme wicht had er een bult en een pokdalig gezichtje aan over gehouden.

Moet ik je nog zeggen dat zij het mikpunt was van al de plagerijen die de jongens konden uitdenken. Op een dag, 't was kort voor Kerstmis, hadden een paar van de ergste belhamels uit de Dievenhoek, zo noemde de buurt, het enige kippetje gestolen dat Stance Bogaerts uit de Venkelstraat bezat.

Colette wist wie het gedaan had en in een heilige verontwaardiging ging ze er op af. Ze schold de lummels uit voor het vuil van de straat. En schelden kon ze. De jongens gooiden haar Stances kip naar het hoofd en vloekten: “Hier zie, hang ze verdomme aan je nek!”

Maar ’s anderendaags, op kerstavond, namen ze wraak. Annaatje ging een emmertje water halen aan het putje. Onverhoeds werd zij gegrepen ... Vier felle kerels duwden haar een prop in de mond, bonden haar handen en voeten samen en gooiden haar gewoon in de waterput.
Wat later stond de hele buurt op stelten.  Annaatje was verdwenen ... Iedereen hielp Colette bij het zoeken. Op de hoek van de straat vond men haar muts en naast het putje lag één van haar klompjes. Met een lange stok viste men in het putje, maar men vond niets want 't was er helledonker. Of misschien was de stok te kort ...

Och, Colette”, troostte men Annaatjes pleegmoeder, “ga rap naar huis, mens. Je zult niet weten hoe wel je er aan doet. Annaatje was een duts van een kind en er is niets aan te doen. Ze is gelukkig dat ze dood is. Ze is al in de hemel Kerstdag aan het vieren.”
Colette ging zachtjes aan het snikken en in het donker keek ze op naar het Mariabeeldje op het hoekje van de straat. “Onze Lieve Vrouwtje”, weende ze, “doe toch een mirakel en breng het arme kind terug.”

Colette liet zich op haar knieën vallen. Met haar armen breed open, kroop zij op haar blote knieën door de sneeuw tot aan het mirakelbeeld van Maria in de kerk van de Potterie.


Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Potterie in  1938

Pas was ze aan de terugweg begonnen of ze hoorde reeds in de verte juichen: “Annaatje is gered ... er is een mirakel gebeurd... “.

Terug bij de waterput gekomen kon ze haar ogen niet geloven. Annaatje was veilig en wel en ze kon haar weer in haar armen nemen.


Wat was er gebeurd? Men had het meisje toch gevonden in de put. Springlevend met een paar builen en blauwe plekken en een gescheurd manteltje. Annaatje was gered, want het water in de put was - alhoewel het nauwelijks gevroren had – in een dikke laag ijs veranderd. Dat had haar van verdrinking gered. Toen ze weer bij bewustzijn was gekomen had ze om hulp geroepen, en zo had men haar toch uit haar benarde situatie kunnen bevrijden.

Iedereen in het kwartier van de Oliebaan tot aan de Molenmeers was ervan overtuigd dat er op die mooie Kerstavond een echt mirakel was gebeurd op 't hoekje van de Korte Speelmansstraat.

Een beeldhouwer uit de buurt kreeg opdracht een blijvende herinnering aan het voorval te maken. Hij sneed in hout het beeld van Annaatje, de handen in dankbaarheid gericht naar het Kruis en Maria.

De waterput is reeds lang verdwenen, maar Annaatje van 't pitje staat er nog steeds en leeft verder in de herinnering van vele Bruggelingen.
(De tekst is gedeeltelijk gebaseerd op het boek van Johan Ballegeer)



De verloren Hoek
Dat deel van Brugge, tussen de Lange Rei en de Kruisvest, was van oudsher een verarmde buurt van de werkende klasse. In de tijd van “Bruges la Morte” (19de eeuw) was dat kwartier het meest verpauperde  deel van de stad. In de Carmersstraat waren meerdere “forten”. Het waren arbeiderswoningen rondom een binnenpleintje verzameld. Verder waren er nog diverse natiehuizen, waarin eveneens meerdere gezinnen samen hokten. Vergeet niet dat al die gezinnen ook veel kinderen hadden.
Armoe was er troef. In deze omstandigheden probeerden dagloners wanhopig met hun gezin te overleven. De vrouwen hielpen mee om met kantklossen nog enkele centiemen bij te verdienen. Ruim de helft van de bewoners moest worden gesteund door het “Bureel van Weldadigheid”. 
(1898 - Beeldbank Brugge)

het beeld in 2014

In de straat waren er ook heel wat cafés. Het mag dan ook niet verbazen dat het alcoholprobleem de situatie in heel wat gezinnen belastte.
Er was ook een brouwerij. Het stichtingsjaar van “De Arend” was 1553. Ze was dan ook één van de oudste brouwerijen van het land. In 1926 fusioneerde ze met de Gentse brouwerij “Belgica” en vanaf dat jaar werd er bier gebrouwen onder de naam “Aigle-Belgica”. Een kwarteeuw later, in 1978 werd deze brouwerij overgenomen door de brouwerij Piedboeuf en in de periode 1985-’86 sloot “Den Arend” definitief de deuren.


Korte Ropeerdstraat - Leo Mechelaere - 1925



Het Engels klooster

Van de vier kloosters die zich ooit in de Carmersstraat bevonden, bestaat enkel nog het Engels klooster, officieel het Nazarethklooster. Het verhaal begint in Leuven waar het Sint-Monicaklooster in de 16de eeuw Engelse zusters augustinessen over de vloer krijgt die voor de Engelse koning Hendrik VIII gevlucht zijn. Omdat het klooster de toevloed aan zusters niet aankon, werd uitgekeken naar een nieuwe vestigingsplaats. Het werd Brugge. De stad lag dicht bij de zee en kende van oudsher nauwe banden met Engeland.

De oorspronkelijke bedoeling was om katholiek onderwijs te geven aan Engelse emigranten.
De huidige kerk met de kenmerkende koepel is beeldbepalend voor de Carmersstraat. Ze dateert van 1734 en werd gebouwd naar de plannen van de Brugse beeldhouwer en bouwmeester Hendrik Pullinx (1698-1781). In het altaar van de kerk zijn 22 soorten marmer, agaatsteen en albast gebruikt. Voor een bezoek aan de kerk moet je even aanbellen.


Carmersstraat met het de koepelkerk -1900
Beeldbank Brugge

Bijna voorbij het klooster, naast de toegangspoort, herinnert een gedenksteen aan de gevel dat Guido Gezelle hier op 27 november 1899 gestorven is als directeur van het Engels Klooster.

De Sint-Sebastiaansgilde

Op nauwelijks een boogscheut van de Sint-Jorisgilde (waarover meer in een andere legende) vind je de Sint-Sebastiaansgilde. In de eerste werd geschoten met kruisbogen; in de tweede gaat het om handbogen.

Ook de boogschutters van Sint-Sebastiaans vochten reeds mee in de Guldensporenslag in 1302. Mogelijks namen ze ook deel aan de kruistochten want in hun wapenschild prijkt het Kruis van Jeruzalem…


Carmersstraat met zicht op de Sint-Sebastiaansgilde - 1900
Beeldbank Brugge


In de Carmersstraat zou de boogschuttersgilde enkele hoogtepunten beleven. Eén daarvan was het jaar 1656, toen koning Charles II in Brugge in ballingschap kwam wonen omdat Oliver Cromwell hem uit Engeland had verbannen. Charles II probeerde het beste te maken van zijn ballingschap en hij werd een actief lid van de Sebastiaansgilde. Hij tekende als eerste het “Gulden Boek” van de vereniging.  In 1656 werd door hem in Brugge het beroemd Engels regiment “de Grenadier Guards” opgericht.

In 1996 opperde het “Royal Regiment of the Grenadier Guards” het voornemen om ergens in Brugge een gedenkplaat aan te brengen, die zou herinneren aan hun stichtingsjaar 1656. Eerst werd gedacht aan het huis “De Zeven Torentjes” in de Hoogstraat, waar Koning Charles II verbleven had tijdens zijn ballingschap in Brugge. Uiteindelijk werd toch besloten om die gedenkplaat aan te brengen in de Sint-Sebastiaansgilde, omwille van de vele banden tussen het Engelse koningshuis en de schuttersgilde.


De gedenksteen 
Guido Gezelle
In de Rolweg vinden we ook het Guido Gezellemuseum. Dit stukje van de stad kan je iedere keer weer verrassen en je doen stil staan bij het rijke verleden van onze stad. Het is daar dat Gezelle is geboren en enkele honderden meters verder in het Engels klooster is gestorven na enkele omzwervingen te hebben gedaan. Leven en dood liggen soms verrassend dicht bij elkaar…

Het geboortehuis van Guido Gezelle

De Rolweg in 1912

Annaatje van 't Pitje (1932)
Beeldbank Brugge





1 opmerking: