woensdag 8 oktober 2014

De legende van Boudewijn met de ijzeren arm, Judith en het beertje van de loge

Het gebeurde ten tijde dat Karel de Kale koning was van West-Francia. Boudewijn met de Ijzeren arm, de graaf van Vlaanderen,  heeft zijn naam niet gestolen. Hij is groot, sterk en ambitieus. De koning heeft hem ooit belast met het bestuur van Brugge en omgeving. Dat gebiedje heet Vlaandergouw, in het Latijn 'Pagus Flandrensis'. Brugge is een kleine handelsplaats, vlak bij de zee. Er is ook een versterking en die is voor de streek broodnodig.

Het is al tientallen jaren onrustig aan de Noordzeekust. Elke lente varen benden Noormannen de rivieren op en verwoesten op hun route have en goed van de rijke kerken en abdijen. Evenmin sparen ze de weinige handelsnederzettingen langs het water. Alles wat niet te zwaar of te heet is wordt ingescheept en vlug varen ze terug, richting Denemarken.

Boudewijn heeft horen vertellen van een jonge vrouw, Judith, de dochter van Karel de Kale. Wie haar heeft gezien, zegt dat ze zeer mooi is en intelligent. Ze is een achterkleindochter van Karel de Grote. Wat kan een ambitieuze graaf meer verlangen? Het liefst zou hij met haar trouwen. Maar dat ziet de koning helemaal niet zitten. Zijn mooie dochter aan een onbeduidende niemendal uithuwelijken? Daar komt niets van. Het liefst ziet hij voor haar een koninklijke gemaal.

Boudewijn trekt met zijn gevolg naar het klooster van Senlis, waar Judith verblijft. Hij trekt het klooster binnen en rooft er de prinses. Hij neemt haar - blijkbaar niet tegen haar zin- mee naar Brugge. Maar haar vader is razend. Wat een lef van dat onbeduidend graafje uit die verre uithoek van zijn rijk?
Kwade tongen beweren dat haar broer, Lodewijk, er mee instemde en dat Boudewijn ermee gedreigd heeft met de Noormannen samen te heulen indien hij niet met Judith mag trouwen. Maar Karel de Kale kan het niet aanvaarden dat zijn dochter onder haar stand zal trouwen.

Op de terugweg wordt het gezelschap in de bossen even buiten Brugge door een reusachtige witte beer aangevallen. Een ijsbeer? Welnee! Het was putje winter en de beer was wit van de sneeuw. Daar stond hij, samen met zijn Judith, oog in oog met de beer. Hij was vastbesloten zijn liefje met hand en tand te verdedigen.
Boudewijn “den ijzeren”, zo genoemd omdat hij goed met wapens kon omgaan, geraakte in een hevig gevecht gewikkeld met de beer. Naarmate Boudewijn zijn aanvallen verdapperde, nam de woede van de beer toe. Niemand durfde nog dichterbij te komen om de nieuwe leenheer te helpen. Plots stelde de beer zich op zijn achterste poten en ging met zijn rug tegen een boom staan om zo meer kracht te zetten achter de nieuwe aanval.
Tezelfdertijd sprong Boudewijn vooruit en doorboorde de beer met zijn lans. De stoot was zo hevig dat de lans zich vastzette in de boom. Na een laatste stuiptrekking stierf de beer.


Eenmaal terug in Brugge, deed het verhaal  van het heldhaftig gedrag van de nieuwe leenheer in minder dan geen tijd de ronde.
Toen zijn aanstelling als nieuwe leenheer gevierd werd, schonk de stad Brugge aan Boudewijn “de ijzeren” een gebeeldhouwde, rechtopstaande beer,  die sindsdien het bekende zinnebeeld is geworden van de grafelijke stad.
En Boudewijn en Judith? Ze leefden niet lang en gelukkig. Judith werd slechts 26 jaar.
grisailleschildering afkomstig uit de Duinenabdij,
Anoniem, 15de eeuw
Graaf Boudewijn draagt het legendarische eerste wapenschild van VlaanderenStadhuisgevel Brugge







Ruïne van het klooster van Senlis

En Karel de Kale? 

Bij de bisschoppen van zijn rijk dringt hij erop aan zich te schikken naar een uitspraak van paus Gregorius, bijna drie eeuwen eerder: 'Wie een weduwe rooft om ze als bruid te nemen, moet vervloekt worden.' De bisschoppen gooien Boudewijn en Judith in de kerkban. Dat gaat ook Boudewijn te ver. Hij trekt naar Roe om zijn zaak te bepleiten bij paus Nikolaas en om vergiffenis te krijgen. De kerkvorst stuurt twee bisschoppen naar Senlis om bij Karel te bemiddelen. Deze stemt uiteindelijk in. Het huwelijk wordt in 862 gesloten in Auxerre.



Boudewijn I (864-879)



Beeld van Boudewijn I met de Ijzeren arm in de gevel
van het Gentse stadhuis



Boudewijn I met de Ijzeren arm en Judith van West-Francia
thans bewaard in het Grootseminarie van Brugge


Boudewijn I wordt als de eerste graaf van Vlaanderen beschouwd. Hij kwam vermoedelijk uit de streek van Laon en was de zoon van een zekere Audacer.
Boudewijn kreeg de bijnaam “met de IJzeren Arm” door de schaking in 861 van Judith, de dochter van koning Karel de Kale van West-Francië. Judith, achterkleindochter van Karel de Grote, was door haar vader opgesloten in een toren te Senlis, in afwachting van een gouden kans op de huwelijksmarkt. Met de hulp van har broer kroonprins Lodewijk kon ze ontsnappen in de armen van Boudewijn. De koning was helemaal niet zinnens zijn dochter uit te huwelijken aan de eerste de beste avonturier, nadat ze een gekroonde koningin van Wessex was geweest. Hij liet zijn bisschoppen de ban uitspreken over het koppel. Boudewijn en Judith vluchtten over de Alpen en zochten hun toevlucht bij paus Nicolaas I. Die koos dan de zijde van de geliefden en trachtte de koning te overhalen. Boudewijn dreigde er zelfs mee zich met de Noormannen te verbinden. Uiteindelijk ging Karel de Kale overstag. Eind 863 werd het huwelijk tussen Boudewijn en Judith gesloten.

Als gevolg van zijn huwelijk met een Karolingische prinses, werd Boudewijn beleend met enkele publieke functies. Hij kreeg in 864 de gouwen Flandrensis, Waas, Kortrijk en bezat wellicht ook de gouw Gent, zodat dit een aangesloten geheel vormde. Na 866 verkreeg hij ook de gouw Terwaan. Hij werd in 879 begraven in de Sint-Bertijnsabdij te Sint-Omaars, die in deze gouw lag.
Men beschouwt Boudewijn I als de laatste koninklijke ambtenaar binnen zijn familie. Zijn erfgenamen zouden een veel zelfstandiger koers kunnen varen, omdat het koninklijke gezag in Parijs danig verzwakte, onder meer door de invallen van de Noormannen.

De Poortersloge en het beertje van de loge

De Poortersloge werd gebouwd tussen ca. 1395 en ca. 1417. Van zodra het gebouw klaar was tot 1715 zetelde ook Het Genootschap van de Witte Beer, een brugse ridderlijke steekspelvereniging opgericht een tijdje na de heldendaad van Boudewijn I, in dit gebouw. Kort na de constructie van het gebouw kreeg het genootschap van de stad de toestemming het beeld van hun mascotte, een beer, in een nis in de gevel te plaatsen. Vandaag de dag is het er nog en spreekt men nog steeds van het 'Beertje van de Loge'. Dit beertje vindt men op verscheidene andere plaatsen en zelfs op het wapenschild van Brugge terug.





Boudewijn I heeft Judith geschaakt (Gouden Boomstoet)

Afbeelding van Boudewijn I en Judith van West-Francia 
in de Gravenkapel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kortrijk



Het beeld van Boudewijn I met de Ijzeren arm


Karel de Kale, koning van Frankrijk
(823-877)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten