woensdag 8 oktober 2014

De legende van de kroontjes op het stadhuis van Brugge


Het gebeurde ten tijde van koning Karel VII van Frankrijk (1403-1461). 
Omdat ook koningen na gedane arbeid wat ontspanning kunnen gebruiken had Karel VII een wat vreemde hobby.  Jij verzamelt misschien postzegels of foto’s van de Rode Duivels, Kareltje verzamelde vriendinnetjes en maîtresses. Lieftallige jongedames die vonden dat de koning best een verzetje kon gebruiken. En omdat er nog geen televisie bestond vonden ze dan maar allerlei spelletjes uit. Het is een hobby als een ander.

Maar voor Karel werd het stilaan een dure aangelegenheid, want telkens als een spelletje begon te vervelen dumpte hij het speeltje voor een nieuwe aanwinst. Hij had evenwel de gewoonte om de dame in kwestie een kasteel te schenken, kwestie van het afscheid wat draaglijker te maken.

Maar Karel was op de duur de tel kwijtgeraakt in zijn reeds omvangrijke verzameling ex-vriendinnetjes, en aan de laatste die hij moest ontgoochelen schonk hij een kasteel dat hij eerder al aan een andere cadeau had gedaan. Dat was het kasteel van Conchy-les-Pots, in het departement van de Oise. Als je via de autoweg van Rijsel naar Parijs rijdt dan kom je het voorbij.

Hoe beminnelijk lieftallige jongedames ook kunnen zijn, als de jaloersheid de kop opsteekt veranderen ze in echte feeksen. Het zat er dus bovenarms op tussen de twee ex-minnaressen. Hoe zeer ze mekaar ook de haren uit het hoofd trokken, geen van beiden kon het pleit winnen en daarom besloten ze het gevecht maar voor de rechtbank verder te zetten.

Het werd een zaak van nationaal belang welke in Frankrijk en ver daarbuiten grote weerklank kreeg.  De Franse rechters echter – beducht om de koning te kwetsen – durfden geen uitspraak doen.

Uiteindelijk werd de zaak voor het brugse rechtscollege gebracht dat in die tijd vermaardheid genoot.

Er werd te Brugge niet lang over gepalaverd. De geschiedenis van Conchy- les- Pots was immers meer dan gekend, onder meer door verhalen en liedjes van rondtrekkende minnezangers en troubadours die, met de nodige humor, van Conchy- les- Pots gezegd hadden:
« C'est ici qu'on chie le pot»...

Het vonnis van het Brugse rechtscollege maakte hierop allusie en luidde: « Uit de aard van de zaak, en afgaand op de inhoud ervan, moet Conchy- les-Pots als een onaantastbaar en onvervreemdbaar recht van de eigenaar beschouwd worden ».

De koning, die hiermee zijn zin kreeg, was met het vonnis buitengewoon tevreden. Hij zegde: «De schouwen waardoor de adem van die verstandige personen opstijgt, verdienen gekroond te worden ».
De daad werd bij het woord gevoegd, en sedert die tijd staan bovenop de schoorstenen van het brugse stadhuis twee gouden kronen.
(met dank aan Natascha Tavernier voor het aanleveren v.d. tekst)

Karel VII (1403- 1461) was koning van Frankrijk van 1422 tot aan zijn dood. Hij was de zoon van de mentaal gestoorde Karel VI uit het Huis Valois en Isabella van Beieren.

Hij oefende aanvankelijk slechts het feitelijk gezag uit over een beperkt deel van het koninkrijk, en moest zich verzetten tegen de aanspraken van de zich eveneens koning van Frankrijk noemende Engelse vorst Hendrik VI, die met de steun van de Bourgondiërs het gebied ten noorden van de Loire en Gascogne in het zuiden beheerste.

Een grote rol in zijn morele rehabilitatie als koning speelde het mysterieuze optreden van Jeanne d'Arc. Toen deze, na een aantal spectaculaire militaire successen, de karakterloze Karel ertoe overhaalde zich volgens de traditie tot koning te laten kronen in Reims op 17 juli 1429 scheen het tij definitief gekeerd.

Karel viel evenwel spoedig daarna terug in zijn apathie en miste de kans tot herstel van de Franse eenheid. Het strekt hem niet tot eer dat hij geen enkele poging heeft ondernomen om zijn weldoenster Jeanne d'Arc uit de klauwen van de Engelsen te redden.

Hij slaagde er pas in het Franse gezag te herstellen nadat in 1435 de Bourgondische hertog Filips de Goede zich door de Vrede van Atrecht met hem had verzoend.

Het stadhuis van Brugge
Het stadhuis van Brugge is één van de oudste stadhuizen in de Nederlanden en werd opgericht in 1376. Graaf Lodewijk van Male zou de eerste steen gelegd hebben. Het werd voltooid in 1421. Op de plaats waar nu het gotische stadhuis staat bevond zich vroeger het “Ghyselhuus”, de grafelijke gevangenis.

Na een brand in het Brugse belfort in 1280 werd het oude ghyselhuus op de Burg de nieuwe vergaderplaats van de stadsschepenen. In 1376 werd het ghyselhuus in opdracht van graaf Lodewijk van Male gesloopt om plaats te maken voor een echt scepenhuus, dat onder leiding van meester-metselaar Jan Roegiers werd opgetrokken. Het Brugse stadhuis is het eerste monumentale laatgotische raadhuis van Vlaanderen en Brabant, een getuige van de economische en politieke bloei van de stad tijdens de 14e eeuw.
De natuurstenen voorgevel van het oudste gedeelte, dat in de loop van de 16e en 17e eeuw meermaals in zuidelijke richting werd verruimd, inspireerde de architecten van de stadhuizen van Brussel, Gent, Leuven en Oudenaarde.

Op de muurdammen bevinden zich beelden van historische figuren onder versierde baldakijnen, die meermaals werden vernieuwd. Vooral tijdens de Franse Revolutie werden heel wat originele beelden vernield. Over de beelden in de nissen van de voorgevel hebben we het bij een andere gelegenheid, met name de “legende van Onze-Lieve-Vrouw met de inktpot.

Na een brand in 1887 was het interieur van het raadhuis er slecht aan toe. Tussen 1895 en 1905 namen architect Louis Delacenserie en kunstenaar Jean-Baptiste Bethune het samen onder handen. De kleine en grote schepenzaal op de bovenverdieping werden samengevoegd, tot wat vandaag gekend staat als de 'gotische zaal'. De rijke versiering van deze ruimte kan concurreren met de decoratie van de voorgevel. Het indrukwekkend dubbel houten hanggewelf werd gerestaureerd en doorgetrokken over de ganse zaal.
Op de wanden werden taferelen uit de Brugse geschiedenis geschilderd door kunstenaar Albrecht De Vriendt. Net als de monumentale pronkschouw zijn dit neogotische toevoegingen.








Geen opmerkingen:

Een reactie posten