vrijdag 12 december 2014

De legende van de Brugse burger met de twee vrouwen.

Lang geleden, in de tijd dat Keizer Karel nog leefde, woonde er in Brugge een welgesteld en vooraanstaand burger. Hij heette Adriaen van Haveskerke en was schepen van het Brugse Vrije. Hij stamde uit een rijke adellijke familie van ridders en kasteelheren, en als de mensen hem begroetten zegden ze natuurlijk niet “Dag Adriaen”, maar “Gegroet heer van Haveskerke”.

Omdat rijke mannen nu eenmaal allemaal beeldschone vrouwen hebben was hij gehuwd met een vlasblonde Brugse schone die luisterde naar de naam Johanna van Ideghem, vrouwe van Wintvelde.

Omdat bij schone Johanna al even adellijk bloed door de aders stroomde had ze veel meiden en knechten die konden instaan voor het onderhoud van hun grote herenhuis aan de Spinolarei, zodat ze alle tijd had om haar Adriaen in de watten te leggen…

Als hij thuis was wel te verstaan. Want Adriaen droomde van verre reizen naar verre landen. Zo vertrok hij op zeker dag naar Spanje, en om het nuttige aan het aangename te paren deed hij onderweg inkopen die hij dan naar Brugge liet verschepen: Wijnen uit Toledo, Corduaans leer, Andalusische paarden en gitaren,  sinaasappelen uit Valencia…

Hij trok van Sevilla over Salamanca naar Valladolid maar daar werd hij zwaar ziek. De “Spaanse” griep had hem te pakken. Een vriendelijke Spaanse koopman nam hem in zijn huis op en keek er op toe dat zijn Brugse kompaan met de beste zorgen omringd werd. Zijn beste meid - een ebbenhouten schone uit Noord-Afrika met fluweelzwarte ogen, zachte strelende handjes en lange zwarte lokken die in wijde krullen op haar schouders hingen - mocht Adriaen verzorgen. Ze heette Catarina en had dezelfde voornaam als zijn moeder. Geen wonder dat het lang duurde voor hij genezen was. Hoe zou je zelf zijn?

Zo vertoefde Adriaen een hele winter lang onder de zachte vleugels en in het warme bed van mooie Catarina. Maar toen het weer zomer begon te worden begon de heimwee naar Brugge en naar zijn blonde Johanna toch te knagen.

Liefje, ik moet maar eens weer terugkeren naar het noorden.” zei hij tegen Catarina. “Oh lieverd, neem me alstublieft mee…” fluisterde ze in zijn oor, omdat ze wist dat hij dat zo graag had.

Adriaen schrok! “Maar kindje toch, in Brugge is het altijd grauw en grijs, en het regent er elke dag. Daar ga jij nooit gedijen” riposteerde hij. Maar in zijn binnenste dacht hij: “Wat zal Johanna er van denken als ik met een zwart meisje terugkeer”, want hij was Catarina vergeten te zeggen dat hij al getrouwd was. Een mens kan nu eenmaal niet aan alles denken.
Maar ze kon zo’n pruilmondje trekken en ze keek met van die ogen waaraan Adriaen niet kon weerstaan. “Weet je wat”, zei hij, “je gaat mee en ik vertel dat je een bekeerde ongelovige bent die ik uit de handen van de Spanjaarden heb gered”.

En zo gebeurde het dat Adriaen van Haveskerke op een mooie zomerdag, gezeten op een mooi zwart paard met voor hem in het zadel een zwarte madonna, voor de poorten van Brugge arriveerde. Zijn vrouw had al dagenlang op uitkijk gestaan om hem te verwelkomen en met kussen te overladen. Ze keek er niet weinig van op dat hij een mooi cadeautje uit het zuiden had meegebracht.

Heer van Haveskerke moest zich in een aantal ongemakkelijke bochten wringen om de situatie uit te leggen, maar uiteindelijk ontving Johanna van Ideghem de Spaanse schone met heel de gulle minzaamheid van haar breeddenkende geest en de wijdheid van haar grootmoedig hart. Catarina kreeg een kamer in haar huis en de beide vrouwen schoten, wonder boven wonder, best met mekaar op.

Overal vertelde Adriaen over het mooie weer in Spanje en hij raadde iedereen aan ook naar daar te reizen. Ze hadden er toch zo’n goede dokters... Ondertussen dreven Johanna van Ideghem en Catarina de Valladolid een levendige import- en exporthandel met Spanje.
Tot Johanna stierf...  van Haveskerke weende drie dagen lang, rouwde drie weken en trouwde drie maanden later met zijn Catarina. Geen mens in Brugge die er graten in zag.

Maar er kwam een dag dat ook Catarina stierf en dat hij krom van reumatiek zijn einde voelde naderen. Bij testament bepaalde hij, dat een Brugse beeldhouwer een zwart marmeren praalgraf moest kappen. Een praalgraf waar hij tussen zijn blonde Vlaamse Johanna en zijn zwarte Sefardische Catarina liggend zou afgebeeld worden.

De 12de  november 1572 stierf hij, en nadien werd hij begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk tussen de twee liefdes van zijn leven. En daar staat de graftombe van de brave Brugse burger met twee vrouwen nog altijd.  En Johanna en Catarina…? Die knipogen eens naar mekaar…





Waar of niet waar?

Zowel Adriaen van Haveskerke als de twee vrouwen hebben echt bestaan. Hij was inderdaad schepen van het Brugse Vrije. Hij legde trouwens de eed af op 13 maart 1545. Maar het was niet zo dat hij eerst met Johanna gehuwd was. Integendeel… In 1546 was hij eerst in het huwelijk getreden met Catarina de Valladolid. Wanneer hij met zijn tweede echtgenote, Van Yedeghem Joanna (Jeanne d’ ydeghem, vrouwe van Wintvelde) huwde is niet precies bekend. Hun graftombe is inderdaad te zien in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Buiten aan de kooromgang is zijn wapenschild nog tegen de muur te zien.




In oorsprong was dit een vrijstaande graftombe maar in de negentiende eeuw heeft men die verplaatst en vastgemetseld tegen de zuidelijke muur van de sacramentskapel.  Hierdoor is het niet langer meer mogelijk om de tweede zijwand te zien. Volgens inventarissen uit het begin van de 19de  eeuw blijkt dat daar de wapenschilden van de van Haveskerkes naast deze van de Laurins en de van Heules voorkwam. De broer van Adriaen, Jan van Haveskerke, was eveneens tweemaal getrouwd. Een eerste keer met Margareta Laurin en vervolgens met Joanna van Heule.  Hij stierf in 1577. De tombe kan dus zowel een aandenken zijn aan Adriaan als aan Jan van Haveskerke. Maar volgens de archieven is het wel degelijk Adriaen die het financierde.

Waar komt de legende dan vandaan?

De oorzaak van deze legende is mogelijks te zoeken bij een lezing die de Franse letterkundige Maurice Barrès in 1893 hield naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de “Cercle littéraire Excelsior”.  Er waren die avond verschillende sprekers, onder wie Stephane Mallarmé, maar Barrès zijn lezing was getiteld: "Les deux femmes du bourgeois de Bruges".
Het verhaal was eerder verschenen in Le Figaro op 29 juli 1892.
Daarin vertelt hij het verhaal van een ridder die van de kruistochten terugkeert en 'une belle Clorinde' bekeerde en met haar naar huis trok.  Maurice Barrès was voordien in Brugge geweest, had die graftombe gezien, en naar alle waarschijnlijkheid ook nog een gelijkaardige tombe in de Sint-Jacobskerk, want elementen van hier verweefde hij ook in zijn verhaal.
Om deze kapel te zien moet u de hele Sint-Jacobskerk door want ze bevindt zich in de uiterste hoek rechts.  Op verzoek van Ferry de Gros, een edelman aan het hof van Filips de Schone, werd deze kapel gebouwd. 




Net zoals Adriaan van Haveskerke is ook deze Ferry de Gros twee keer getrouwd geweest.  Eerst met Philippine Wielant.  Die stierf in 1521.  Vier jaar later hertrouwde hij met Françoise D'Ailly, dame de Boudigny.  Ook zij stierf nog voor hem.  Hijzelf stierf in 1541. 
Dit grafmonument bestaat opnieuw uit levensgrote uitbeeldingen van de edelman met zijn twee vrouwen.  Bovenaan ligt Ferry de Gros met zijn eerste echtgenote, onderaan ligt zijn tweede echtgenote. De kapel in de Sint-Jacobskerk werd in 2014 grondig gerestaureerd en in zijn volle glorie hersteld.

Mogelijks heeft Barrès beide tombes gezien en is beginnen fantaseren. Een legende was geboren…








Geen opmerkingen:

Een reactie posten