maandag 22 december 2014

De legende van het rendez-vous van de Onze-Lieve-Vrouwtjes.

In 1984 verscheen een prachtig boek van Johan Ballegeer: “100 Brugsche legenden, sprookjes, sagen, anekdoten, spook- en heksenverhalen”.


Op onnavolgbare wijze vertelt hij de Brugse legenden en verhalen.
Bij wijze van eerbetoon aan de in 2006 overleden auteur nemen we één van zijn mooiste verhalen hier nagenoeg integraal over.





Elk jaar op half-oogst, weer of geen weer, dragen de Brugse maagdekens hun Lieve Vrouwke van Blindekens naar Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie.  Nooit meer zullen ze dat verzuimen ... Die twee Lieve Vrouwtjes zitten daar op hun tronen een heel jaar naar te verlangen.

Nu is het ooit eens gebeurd, lang geleden, dat de processie niet uittrok en dat Onze Lieve Vrouw van Blendekens haar jaarlijks bezoek aan die van de Potterie moet missen.

Dit jaar was het weer eens één van die slechte zomers. Je hebt dat in Brugge. 't Is een ramp voor de koetsiers en de bootjesmannen, maar de cafébazen varen er goed mee, want de toeristen blijven in de herbergen zitten.

Die vijftiende augustus, ik ben het jaar vergeten, regende het al van 's morgens voor de vroegmis. Gieten dat het toen deed!  Uren aan een stuk! De mensen dromden samen in de Kreupelenstraat. De jongens dicht tegen de meisjes aan. Ze droegen wijde zwarte kapmantels over hun witte gesteven jurken, afgezet met Brugse kant.

Met geen tienen konden ze de zware kaars rechtop houden, want de wind huilde als een briesende hond van de Smedenpoort naar 't Zand.

“ ’t Is dit jaar geen weer om een hond door te jagen”, zei de pastoor van Blindekens, “we gaan de processie moeten afgelasten.”

De kwezels waren erg blij dat de processie niet doorging, maar ze toonden zich toch erg verontwaardigd, een kwestie van nog heiliger te lijken dan de pastoor zelf.

“Hij is zeker weer te gierig geweest om een mand eieren naar de Kolettientjes te dragen”, fezelde Mance Pruttelinge op de pastoor doelend. Ze had haar naam niet gestolen.

“Hoort eens hier, hoort eens hier”, zei Leitje Panebroek, “het is onze Vrouwe haar eigen schuld, dat 't haar eigen schuld is. Ze kon toch zeker zelf wel schoon weer bestellen bij Sinte Pieter, dat ze schoon weer kon bestellen zeg ik.“

De mensen luisterden naar Leitje, die alles altijd twee keer zei, en naar Mance die meende dat 't geloof om zeep ging. Ze zagen niet hoe Onze- Lieve-Vrouw haar wenkbrauwen fronste en dat het Jezuskind maar een beteuterd gezicht trok.

De mensen gingen een borrel pakken in 't Wit Huis of in 't Nunnegat en trokken zich verder van het weer en de processie geen barst meer aan. Tegen de tijd dat het avond en donker werd, dacht geen mens er nog aan…

Maar Onze-Lieve-Vrouwe wel. Zij wilde voor geen geld van de wereld haar rendez-vous met Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie missen. Die zat nu beslist ongeduldig op haar te wachten.
Maria zette haar Kind op de grond naast haar troon, sprong lenig op de kapelvloer en trok - nog steeds uitgedost in haar processiekleren - door de Kreupelenstraat, de Lane en de Moerstraat en langs de reitjes naar de Potterie aan de andere kant van de stad.

Waar ze voorbij kwam nam de wind af en hield het op met regenen. De wolken schoven open en de maan zond een straaltje hemellicht naar beneden opdat Maria toch niet zou struikelen over de Brugse kasseien.

In de Reie gingen de zwanen in postuur staan met hun vlerken wijd open en hun nekken recht omhoog gestoken. En alle Onze-Lieve-Vrouwtjes op de hoeken van de straten die zij passeerde, knikten minzaam naar hun collega, terwijl de ]ezuskindjes met hun handjes zwaaiden naar dat van Blindekens.

De poort van de Potterie, met al zijn grendels en sloten, ging vanzelf open. En dit keer zonder slepen of piepen. Onze Vrouwe van de Potterie was helemaal niet verwonderd toen ze haar vriendin zag binnenkomen. Ze stapte elegant van haar altaar en liep op die van Blendekens toe.

Wat de twee Lieve Vrouwtjes elkaar toen van middernacht tot één uur in de morgen vertelden, zullen wij nooit weten ... Op haar terugweg groette het Lieve Vrouwke van Blendekens al de andere Lieve Vrouwen die er in Brugge staan: die met de Inktpot en die met de Platte Wereld, die van de Metsershuizen, van de Halle, van Groeninge en van Spermalie en zelfs de vreemde, zoals die van Lourdes, van Fatima, van Boulogne, van Loretto, van de Carmel, Banneux en Woesten.

Een hele nacht was Onze-Lieve-Vrouw van Blindekens op tramard.  De volgende dag had je de poppen natuurlijk aan het dansen ... Toen de zuster-kosteres de prachtige, blauwe goudbrokaten mantel van Onze- Lieve-Vrouw wilde afstoffen en opbergen, zag ze dat de zoom helemaal vol slijk zat. En dat de koetsen toen al door paarden getrokken werden, kon je ook zien ...

En over het lieve gelaat van Onze-Lieve-Vrouw dat vandaag zo moe en zo droef leek, liepen rode striemen en schrammen ... Het kosteresje vluchtte schreeuwend de kerk uit om de pastoor en de kanunnik te halen. In een oogwenk stond de Kreupelenstraat zwart van het volk. Niemand had die nacht iets gezien en toch wilde iedereen beter weten dan zijn buurman wat er gebeurd was.

Tot men aan de mouw van Onze-Lieve-Vrouw een ragfijne gouden draad zag. Men volgde de draad. Heel Brugge door over pleinen en bruggen, langs straten en reitjes, de hele lange weg van Blindekens naar de Potterie ... Daar eindigde de draad aan het uitgerafelde kleedje van het ]ezuskind. 't Zat er in zijn bloot gatje ...

Maar die schrammen? En die rode striemen op haar gezicht? “Het is van de duivel!” preekte de pastoor. “De duivel heeft willen beletten dat Maria aflaten zou verdienen voor de zielen in het vagevuur.”

Daar was natuurlijk niets van waar. Zou de duivel Maria durven benaderen als ze haar Jezus op de arm heeft? Veel later heeft een heilig patertje op zijn sterfbed bekend van waar de schrammen vandaan kwamen…

Onze-Lieve-Vrouw had het hem in een visioen verteld. Een rozelaar, die de lieflijke geur van Onze-Lieve-Vrouw gewaar werd toen ze passeerde, stak zijn lange takken uit om wat van dat wonderbaar parfum te vangen. Ongewild kwetste hij Onze-Lieve-Vrouw.  Sindsdien ruiken de rozen te Brugge heerlijker dan waar ook ter wereld.

En sindsdien gaat de processie van Blindekens uit, zonder schrikkelen, goed weer of slecht weer ...


                              
Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie   (13de eeuw)                            Onze-Lieve-Vrouw van Blindekens (1330)                                                                                           


De Brugse belofte

Op 15 augustus trekt, naar jaarlijkse gewoonte en al meer dan zevenhonderd jaar, de “Blindekensprocessie”,door de Brugse binnenstad. De “Brugse Belofte” is een jaarlijkse processie die sedert 1304 (enkel met een onderbreking tussen 1796 en 1839) in Brugge op Maria Hemelvaart (15 augustus) wordt gehouden.

Het is een processie die een 36 pond zware kaars van de kapel van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Blindekenskapel via de oudste Brugse stadsdelen naar de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Potteriekerk brengt.

In 1304 beloofden de vrouwen van de Brugse ambachtslui dat zij jaarlijks een kaars zouden offeren als hun zonen en echtgenoten heelhuids van de slag bij Pevelenberg zouden terugkeren. Twaalf meisjes brengen de kaars processiegewijs naar de kerk.



Andere bronnen beweren dat Filips van Tiëdi en zijn Brugse strijdmakkers de belofte deden dat zij ieder jaar op 15 augustus, en ten eeuwigen dage, aan O.L.-Vrouw-van-de-Potterie een kaars van 36 pond te zullen offeren indien zij behouden naar Brugge mochten terugkeren. Zeker is dat graaf Robrecht van Béthune, na zijn terugkeer uit Franse gevangenschap in 1305, maatregelen nam om die belofte na te komen.

Bij de Smedenpoort veranderde hij een huis voor arme reizigers tot een gasthuis voor blinden en gelastte het gasthuis ten eeuwigen dage tot het nakomen van die Brugse Belofte. Een document uit 1418 vermeldt dat de deken en de aanvoerders van het Onze-Lieve-Vrouwegilde en de verantwoordelijken van het gasthuis tot in de eeuwigheid elk jaar op 15 augustus een kaars van 36 pond zouden offeren. De bezittingen van het gasthuis stonden borg voor het uitvoeren van die belofte.

Het is één van de langst bestaande religieuze processies die nog in ere wordt gehouden.




Over Johan Ballegeer (Lissewege, 1927 - Lissewege, 2006)

Ballegeer werd in 1927 in het West-Vlaamse Lissewege geboren. Hij was al jong in de ban van de geschiedenis en werd door zijn vader gestimuleerd om schrijver en onderwijzer te worden. Hij stond jaren voor de klas en schrijven werd zijn voornaamste hobby. Hij debuteerde in 1966 met Van een wonder beeld, een boek dat hij samen met zijn leerlingen maakte. Daarna zouden nog meer dan honderd boeken volgen, waaronder ook titels als Gids voor Oud Brugge (1983), Gids voor de Zwinstreek (1984) en Stadhuis Brugge : vrijmetselaarsmotieven, schoonheid en mysterie in de Brugse gotiek, de vrucht van zijn onverminderde historische belangstelling. Hij was ook hoofdredacteur van Rond de Poldertorens, een tijdschrift voor geschiedenis en archeologie, en museumconservator.

Als onderwijzer zette hij zich in de jaren 1950-1960 af tegen de toen op school gebruikte Noord-Nederlandse boekjes en ging hij zelf jeugdliteratuur schrijven.

De meeste van zijn jeugdboeken zijn gesitueerd in het Vlaamse verleden, van de oertijd in Tingis en haar witte wolf tot en met het oorlogsjaar 1941 in Tamarah wil ook mee, zijn laatste boek (2002). Niet alleen in deze twee maar in bijna al zijn boeken zijn doortastende meisjes de hoofdpersoon. De achtergrond van hun avonturen kleurde hij met voetnoten en verklaringen verder in.

‘Geen meiden aan boord!’ (1986), ook vertaald naar het Frans en het Duits, werd zijn meest bekroonde werk met o.a. de Jacob Van Maerlantprijs voor het jeugdboek (1987), de prijs van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen (1987) en de Staatsprijs voor Jeugdliteratuur (1989).
Naast de vele jeugdboeken schreef Johan Ballegeer ook romans voor volwassenen en publiceerde hij honderden bijdragen over de geschiedenis van Lissewege en de Zwinstreek. Over Brugge verscheen van zijn hand o.m. ‘Gids voor oud Brugge’ (1983) en ‘Stadhuis Brugge’ (1987).

In ‘We trouwen als de keizer komt’ (1990) staat Lieven Bauwens centraal, de Gentse industrieel bekend om het uit Engeland naar het continent smokkelen van de “Mule Jenny”. Deze geperfectioneerde spinmachine en de meegekomen Engelse technici liggen aan de basis van de Industriële Revolutie en met name van de katoennijverheid in Vlaanderen.

‘De ridders van de Groene Tente’ (1970) is een verhaal over de Groententers, een bende struikrovers, vogelvrijverklaarden die zich in de Vlaamse bossen verschuilen. Ze worden bewapend door drie Gentse leiders om de strijd aan te gaan tegen hertog Filips de Goede op het ogenblik dat deze in 1452 een belasting op het zout wil invoeren.
Een overzicht van de jeugdboeken van Johan Ballegeer vindt u op

http://www.kjoek.nl/schrijver/johan-ballegeer.html



-     Johan Ballegeer:  “100 Brugsche legenden, sprookjes, sagen, anekdoten, spook- en heksenverhalen”, Boekhandel Raaklijn – 1984, D 1984/0181/1



Geen opmerkingen:

Een reactie posten