dinsdag 23 december 2014

De legende van Huize Bethlehem.

Het gebeurde in de tijd dat er in het Brugse Koning Albert I park elk jaar tijdens de kerstperiode een reuzenrad stond. Van heinde en ver kon men ’s avonds de lichtjes op het rad zien branden. Het leek wel een reusachtige ster van Bethlehem.

Achter het rad liep het Capucienenreitje, en aan de andere oever van het water had je de Westmeers. ’t Was daar dat Huize Bethlehem was en waar Greet woonde.

Greet was nog jong van geest en ziel, hoewel ze de tachtig reeds voorbij was. Ze woonde alleen tussen haar stapels boeken, CD’ s, gedichten en engelen. Eigenlijk heette ze Margareta. Maar de mensen kenden haar als Greet, het engelenvrouwtje. Ze was nooit getrouwd geweest. Als jong meisje had ze wel een vriendje gehad. Maar meer dan wat kalverliefde was het niet geweest. Ze moest nog altijd glimlachen als ze aan hem terugdacht. “Jozef! Stel je voor…  ik en de vader van Gods zoon. Het zou nooit wat geworden zijn”, grapte ze vaak.

Alhoewel ze geen kinderen had kreeg ze vaak bezoek van vrienden, jong en oud, die ze steevast “mijn kinderen” noemde. Neen, eenzaam was ze niet.

Op kerstavond was het anders. Dan waren alle kennissen bij hun familie en dan bracht ze de avond alleen door. Een kerstboom had ze niet meer staan. Het gesleep met een spar van de markt tot thuis zag ze op haar leeftijd niet meer zitten. Op een zolderkamertje had ze wel nog een doos met de kerstbeelden. Maar nadat het hoofd van Sint-Jozef was afgebroken toen hij een keer gevallen was stalde ze die niet meer uit. “Stel je voor, een vader zonder kop, dat is toch geen zicht”, lachte ze.

Ze had enkel een drietal blinkende kerstballen met een kleurrijk lintje aan de kastdeuren opgehangen. Een kerstmaal had ze ook niet, en al evenmin een kerstbuche. Ze had voor zichzelf een pot heerlijk geurende pompoensoep gekookt, en was net van plan zich een bordje in te schenken toen er plotseling op de deur werd geklopt.

“Wie kon dat nu nog zijn? En al zo laat?” vroeg ze zich luidop af. Weifelend ontgrendelde ze de deur. Voor haar stond een grote, oude man in een veel te lange donkerblauwe jas. Hij had een grijze baard en lange griijze haren die hij achteraan tot een klein paardenstaartje samengebonden had.

“Goedenavond mevrouw”, zei hij, “neem me niet kwalijk. Ik ben Gabriël. Ik heb de ster van het rad tot hier gevolgd. Het moet hier zijn dat het kerstekind zal geboren worden. Ik kom het mijn eer betuigen.”



“Beste man toch”, antwoordde Greet, “Hier wordt geen kerstekind geboren. Zie je mij op mijn leeftijd al zitten met een baby op schoot?”, en ze moest er hartelijk om lachen. “Maar kom toch even binnen om je te verwarmen. Ik zal je ook een kom dampende soep inschenken.”

De oude Gabriël had zijn jas uitgetrokken en zich met graagte aan tafel gezet. Aan de verkleurde pull en de versleten broek die hij droeg kon je zien dat hij het wellicht niet breed had.
Ze waren net van plan om van de warme soep te nippen toen er weer op de deur werd geklopt. Toen Greet opendeed stond een kleine, dikke man voor haar. Hij droeg een donkerbruin driedelig pak en een donkere deukhoed.  Hij had een grijs snorretje en had een zilveren brilletje met ronde glazen op de neus. Met zijn hand steunde hij op een wandelstok. Zoals hij daar zo voor haar stond moest Greet onwillekeurig aan Hercule Poirot denken.

“Goedenavond mevrouw”, begroette hij haar, “neem me niet kwalijk. Ik ben Geert. Ik heb de ster van het rad tot hier gevolgd. Het moet hier zijn dat het kerstekind zal geboren worden. Ik kom het mijn eer betuigen.”

“Mijn beste man”, zei Greet, “kom er ook maar in. Gabriël is hier ook net aangekomen. Dan zijn we met z’n drieën. Ik kan best wel nog een kopje soep bijschenken.”

En het duurde maar enige minuten tot er een derde keer op de deur werd geklopt. “Doe maar open”, zei Gabriël, “het zal de derde koning zijn.”

Verbaasd opende Greet de deur en warempel… voor haar stond een magere man, gekleed in een beige O’Neill blouson met een blauw wollen kraagje, een verkleurde jeansbroek en lichtbruine wandelschoenen. Niet meteen de kledij waarin je op een koude winteravond op stap gaat. Hij was duidelijk jonger dan de beide andere heren maar aan zijn grijzende slapen en zijn grijze stoppelbaard kon je zien dat hij toch al in de zestig was.

“Goedenavond mevrouw”, zei hij,” neem me niet kwalijk. Ik ben Guido. Ik heb de ster van het rad tot hier gevolgd…”

“Ja, en hier moet vanavond het kerstekind geboren worden.”  vulde Greet hem aan. “Kom maar binnen beste Guido. Er zijn al twee gasten. Jullie lijken de drie koningen wel”. En ze proestte het weer uit van plezier. “Niet te doen! Niet te doen!”, lachte ze. “En ik die dacht dat ik vanavond geen mens over de vloer zou krijgen.”

Ze zaten met z’n vieren aan het ronde tafeltje in de keuken. Ze aten een stuk brood bij de lekkere soep, en om beurten vertelden ze elk hun verhaal.  Hun wat droevig verhaal…
Gabriël was postbode geweest. Ja, net als de engel Gabriël die het nieuws aan Maria kwam brengen, had hij met brieven en kranten het nieuws bij de mensen gebracht. Soms was het goed nieuws, maar meestal stonden de kranten vol met enge verhalen over ziekte, moord, oorlog en geweld.

Vroeger had hij met een vriend samengewoond. In hun jonge jaren klikte het best tussen de twee. Maar naarmate ze ouder werden waren ze uit elkaar gegroeid en was de genegenheid verdwenen. En rond zijn vijftigste was zijn vriend eruit getrokken. Gabriël was er ziek van geworden. Anderhalf jaar werd hij voor zijn depressie behandeld en was hij thuis. Net in die periode was er een grondige herstructurering van de postdiensten doorgevoerd en hij was overbodig geworden. Hij werd met vervroegd pensioen gestuurd en moest de rest van zijn dagen zien rond te komen met een klein leefloon. Niet makkelijk voor een alleenstaande man die nog een huur moest betalen. Een auto kon hij zich niet meer permitteren.

Geert had vroeger gestudeerd. Dat zag je al meteen aan zijn ronde brillenglazen en aan zijn grijze achterover gekamde haren. Hij was psycholoog geweest. Tientallen jaren had hij een bloeiende praktijk ik de buurt van Brugge, want mensen met harts- en zielsproblemen had je in alle rangen en standen. Achter vele gesloten deuren leven mensen met mentale problemen. Maar toen zijn vrouw plotseling overleed hoefde het voor hem allemaal niet meer. Hij voelde zich oud en moe, en het had geen zin meer om anderen te helpen als hij zelf verdriet had. Hij had wel een dochter en een kleinkind. Maar die zag hij nooit meer. Waarom had hij nooit begrepen.

Guido, de jongste van de drie, had in zijn jeugdjaren de roeping van God gehoord om kloosterling te worden. Vol enthousiasme was hij Benedictijn geworden, maar na enkele jaren al bleek dat het monnikenleven en de strenge leefregel niets voor hem waren.  Daarom was hij uiteindelijk uitgetreden. Maar hij stond alleen op de wereld. Het werd een verhaal van twaalf stielen, dertien ongelukken. Eerst had hij een tijdje in een garage gewerkt, daarna bij Bombardier. Hij was ook een tijdje kelner in een Brugse café en hij had ook enkele jaren als fietshersteller gewerkt. Hij was uiteindelijk geëindigd als PWA-klusjesman voor ouden van dagen. Nu hij met pensioen was tekende en schilderde hij nog een beetje. Van zijn “kunstwerken” verdiende hij niet eens genoeg om nieuwe verf te kopen, maar schilderen was het enige waar hij zich nog goed bij voelde.
En zo zaten ze daar… te wachten op…. ’t Ja waarop wachtten ze eigenlijk? Het kerstekind zou duidelijk niet hier geboren worden.

Er was net een lange stilte gevallen toen plotseling iemand iets in de brievenbus deponeerde. De brief viel met een korte tik achter de deur op de grond. “Wie brengt er zo laat op de avond nog post?” vroeg Greet zich luidop af. Ze raapte de brief op en haalde er een kerstkaart uit. Ze las de tekst voor:

“Niet in een grot, stal of huis
wordt het kerstekind geboren,
Maar in het hart van ieder mens.
Zalig Kerstfeest!”
Ellen.

Er viel een beklijvende stilte alsof ieder de diepe betekenis van deze woorden liet binnendringen. “Ellen? Wie is Ellen?”, zei Greet binnensmonds. Na enkele seconden draaide Greet zich om, opende de deur en zag nog net een jonge vrouw om de hoek naar de Oostmeers verdwijnen. Aan haar waggelende stap en haar gezwollen buik was duidelijk te zien dat ze hoogzwanger was. Greet liep haar na, maar om de hoek van de straat was niemand meer te zien. Ze had het koud zonder jas aan en het was net beginnen sneeuwen.

Toen ze weer binnenkwam zaten Gabriël, Guido en Geert rond het vuur. Plotseling hoorden ze in de verte de klokken van de Sint-Salvatorskathedraal luiden. “De nachtmis gaat beginnen”, zei Guido, “het moet al laat zijn.”

“Waarom gaan we niet met z’n vieren naar de kerstmis?” vroeg hij, “het is geleden van mijn kloostertijd dat ik nog naar de nachtmis geweest ben.”

“Ik ben nog nooit naar een mis geweest”, antwoordde Geert, “maar ik wil wel meegaan als Greet en Gabriël ook meegaan.”

En zo gingen ze dan, met z’n vieren, arm in arm, door de Oostmeers naar de kathedraal. Het was stil op straat. Je  kon de verse sneeuw onder hun schoenen horen knerpen.

ik heb altijd van een witte kerst gedroomd.” zei Greet en ze begon luidop met een hoge sopraanstem te zingen. “Gloria in excelsis deo…” En de drie oude mannen begonnen met een schorre, lage stem mee te zingen. Het kerstekind was geboren ...

Later, toen ze alle drie weer vertrokken waren, heeft Greet hen nooit meer teruggezien. Maar elk jaar schreven ze met Kerstmis een kaartje.

Boven haar deur liet ze een kleine gevelsteen aanbrengen van het stalletje van Bethlehem, met Jozef, Maria, het kerstekind, de os en de ezel.

Het beeld hangt er nog, en nog altijd heet het huis “Huize Bethlehem”.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten