zaterdag 20 december 2014

De legende van Sint-Elooi in Brugge.

Over deze patroonheilige van timmerlui, smeden, goudsmeden, muntenverzamelaars, koetsiers, zadelmakers, hoefsmeden, slotenmakers en …informatici (sic), worden in vele landen allerlei legenden verteld. We beperken ons tot een drietal. In de wetenschap dat ten tijde van Elooi van een echte stad nog geen sprake was, vertalen we toch één van die legendes naar Brugge.

Sint-Elooi en de Brugse hoefsmid.

Toen Sint-Elooi nog bisschop was ging hij af en toe op inspectie naar zijn veraf gelegen parochies. Zo kwam hij op een dag ook in Brugge aan. Hij bezocht de kerk die hij eerder had laten bouwen,  maar hij wilde vooral zijn prachtige, witmarmeren beeld zien dat hij besteld had om onder de predikstoel te plaatsen, want de gelovigen zouden hem op die manier nog lang kunnen bewonderen.

Daarna reed hij door de Smedenstraat naar de Smedenpoort om langs daar verder naar Oudenburg te rijden. Maar nog voor hij de poort bereikt had verloor zijn paard een hoefijzer. De bisschop, die vroeger zelf een smid geweest was, besloot op zijn stappen terug te keren want in de Smedenstraat had hij een smidse gezien. Boven de deur was hem een bord met de tekst  “Ik ben meester boven alle meesters” opgevallen. Hij klopte aan en ging de smidse binnen.  Die smid was een boom van een vent en een ketter van jewelste.

Hij begon al te vloeken zodra hij de bisschop met zijn sneeuwwit paard in de smidse zag binnenkomen. De smid herkende de bisschop niet. Maar die doorzag de smid wel en zei: “Man, ik zie dat je niet veel tijd hebt. Als je ’t niet erg vindt zal ik zelf wel een ijzer onder dat paard slaan. Mag ik even jouw materiaal gebruiken?”

Vloekend en grijnslachend antwoordde de smid dat hij wel eens wou zien wat een priester met fijne, witte handjes er zou van terechtbrengen. Sint-Elooi zette zijn mijter op een schap en verwisselde zijn bisschopsmantel voor een schootsvel. Hij trok een dolk en sneed in één reep de achterbil van het paard af en legde het op het aambeeld. Tot grote verbazing van de smid was er geen druppel bloed te zien. Het paard bleef onverstoord, dromend van hemelse haver, op drie benen staan.

De smid zijn mond viel open tot aan zijn navel. Ondertussen had Elooi het vuur goed aangewakkerd. Het ijzer gloeide dat de vonken eraf ketsten en de bisschop begon de moker te zwaaien en het ijzer te bewerken als iemand die heel zijn leven niets anders gedaan had.
In een mum van tijd was het hoefijzer volgens de regels van de kunst aan de voet van het paard geslagen.

De smid - die helemaal niet in mirakels, toverij, spoken of heksen geloofde - was benieuwd wat er verder zou gebeuren. Sint-Elooi nam de paardenvoet, liep ermee naar zijn schimmel, zette het been er gewoon weer aan en kletste met zijn vlakke hand op de paardenbil.  Het paard keek dankbaar naar zijn meester en hinnikte van blijdschap.

Dat had die ketterse smid nog nooit meegemaakt. “Goed gezien?” lachte Elooi vriendelijk, “zo moet je paarden beslaan man!”

De bisschop was nog maar net achter de hoek van de smidse verdwenen, of de smid greep zijn mes, sleep het vlijmscherp en liep naar 't paard van Brugse burgemeester, die net op dat moment aankwam om zijn ros te laten beslaan.

Het was een grote, zwarte hengst. De smid had alle moeite van de wereld om het in de hoefstal te krijgen, maar met de methode van die vreemde reiziger moest het beslaan van het paard een fluitje van een cent zijn...

Hij greep het paard bij zijn staart en begon in de bil te viggelen gelijk een slachter. Het bloed spatte in het rond! Het paard stampte en steigerde en sloeg de hoefstal in wel duizend stukken. De woedende burgemeester trok zijn zwaard en brulde dat hij de smid zou laten halsrechten voor dergelijke barbaarse praktijken. Toen zag de smid in dat hij een stommiteit van jewelste had begaan. Daar stond hij dan met het bloedende paardenbeen in de handen.  Het ongelukkige paard lag met zijn drie andere benen in de lucht te klauwieren. Het bloedde als een gekeeld varken en burgemeester van Brugge was een beroerte nabij. Zijn schone ruin zo verminkt...

De radeloze smid rende al wat hij kon Sint-Elooi achterna. Gelukkig was die de Smedenpoort nog niet uit. Hij stond zijn witte paard wat te borstelen want eigenlijk had hij de komst van de smid ook wel een beetje afgewacht. De smid viel op zijn knieën neer, vroeg vergiffenis voor zijn arrogante gedrag en smeekte de bisschop toch a.u.b. mee te komen om het paard van de burgemeester te helen.

Sint-Elooi kwam dadelijk mee. Van een heilige kon je natuurlijk moeilijk anders verwachten.  In de smidse pakte hij de paardenbil, sloeg er in de gauwte een kruis over, plakte de bil weer aan 't paard zijn gat, en gaf er nog een stevige klets bovenop.  Gezwind alsof er nooit iets gebeurd was sprong de ruin weer recht.

Smid, onthoud het goed”, vermaande Sint- Elooi, “Met Gods hulp kan je alles”.  De verbouwereerde smid knikte deemoedig. Hij heeft zich bekeerd en boven zijn inkomdeur liet hij een bord aanbrengen met de tekst “God is meester boven alle meesters”.

In de Smedenstraat is nog altijd het huis te zien waar vroeger de smidse stond, en boven de deur hebben de smeden een beeltenis van Sint-Elooi laten aanbrengen. Het staat er nog steeds.
Beeld van Sint-Elooi in de Smedenstraat te Brugge.
(foto: Marc Willems)

Het huis zoals het eruit zag in het begin van vorige eeuw.
Smedenstraat Brugge. (Beeldbank Brugge)


De Heilige bisschop werd de patroon van boeren en smeden. Daarom gaan de boeren op Sint-Eligius, 1 december, de smid betalen en met de overschot gaan ze in ’t café een pint pakken en klinken ze op... het paard van Sint-Elooi.
(vrij naar Johan Ballegeer in “100 Brugse legenden” – 1984)


Sandro Botticelli, Het wonder van Eligius, 1490-'92,
Galleria Degli Uffizi, Florence


De legende van het paard van Sint-Elooi.

Een tweede verhaal vertelt van de bemoeienis van Eligius (Elooi) met een paard dat hem zelf had toebehoord. Het was een buitengewoon gewillig en zachtaardig dier. Toen Eligius echter stierf erfde de pastoor, die de kathedraal beheerde, het paard van de heilige bisschop.
Maar Momelinus, die Elooi als bisschop opvolgde op de stoel van Noyon, liet het paard bij de pastoor weghalen omdat het - naar hij zei - nu zijn eigendom geworden was. De pastoor verzette zich niet, maar nam zijn toevlucht tot Sint-Eligius.

Nauwelijks was het paard in het bezit van de nieuwe bisschop of het liep kreupel en zag er zwak en ziek uit. De bisschop ontbood een goede dierenarts en beval hem alles in het werk te stellen om het paard te genezen. Maar geen enkele remedie bracht soelaas. Het werd integendeel zó erg dat niemand het arme dier nog durfde te naderen, omdat het dan wild met de benen in het rond stampte. De bisschop werd bang dat hij het dier zou verliezen en schonk het aan een edele dame, die hem beloofde er zeer goed voor te zullen zorgen.

Maar toen ze een ritje wilde maken bokte en steigerde het paard zo erg dat ze hard tegen de grond gesmeten werd. Het dier was onhandelbaar. Ze beval het paard onmiddellijk aan de bisschop terug te bezorgen. En in plaats van een dankwoord gaf ze de bediende heftige verwijten voor de bisschop mee.

De bisschop liet het paard opnieuw met alle zorgen omringen, maar niets hielp. Ten einde raad liet hij het terugsturen naar de pastoor die het van Eligius geërfd had. En zie…toen het dier een paar dagen terug in de stal van de pastoor stond, gedroeg het zich weer even willig als tevoren. En zolang het paard eigendom bleef van de pastoor, leek het niet te verouderen. 
(Naar A. Kuyle, St Eloy, - 1955)

De legende van de stok van Sint-Elooi.

Eligius wandelde langs de wegen en gebruikte daarbij een stok. Maar toen hij een greppel over moest, brak deze bijna door. Eligius zocht naar een smederij waar men er een ijzeren band omheen kon leggen, zodat hij de wandelstok weer gebruiken kon.

Toen hij een smid gevonden had en hem vroeg het karweitje voor hem op te knappen, kreeg hij een nors antwoord. Voor zulk prutswerk had de smid geen tijd. Eligius verliet de smidse en trof buiten een stokoude vrouw die hem vertelde dat de smid altijd al een verwaande en hovaardige man was geweest en die men moest aanspreken met de titel “Baas boven baas”.

Eligius ging terug naar de smidse, begroette de smid met “baas boven baas” en pas daarna wou die de wandelstok wel herstellen. Maar alvorens weg te gaan riep Eligius de oude vrouw naar binnen, greep haar rond het middel, hield haar boven het laaiende smidsvuur en zette haar als knappe, jonge deerne weer op de grond. Eligius ging naar buiten en vervolgde zijn weg. Verbaasd keek de smid zijn ogen uit op de gracieuze verschijning die nog steeds voor hem stond…

Nu had de smid een vrouw die zó lelijk was dat hij haar met geen tang meer wilde aanraken. Onmiddellijk haalde hij haar uit haar keuken en deed met haar precies hetzelfde wat hij de heilige met de oude vrouw had zien doen. Maar haar kleren vatten vuur.  Zij kermde verschrikkelijk en tenslotte was zij aan één kant al helemaal verkoold. De smid zag het ellendige van zijn daad in en vloog naar buiten om de vreemdeling te zoeken die hij had willen na-apen. Hij zag in de verte nog juist zijn hoofd boven het gewas. Eligius keerde op zijn verzoek met hem terug en toen hij de smidsvrouw zag genas hij haar, maar schudde het hoofd toen de smid vroeg er ook een mooie, jonge maagd van te maken. 
(Naar A. Kuyle, St Eloy, - 1955)


Sint-Elooi (Eligius van Noyon) in Brugge.

Volgens de legende bouwde Eligius, omstreeks 646 een kleine kapel op de plek waar nu de Sint-Salvatorskathedraal staat. Historisch gezien is de kerk gesticht in de 9de eeuw door de oudere parochie Snellegem, die wellicht op Sint-Elooi teruggaat.

Centraal in het koor staat het zilveren reliekschrijn van Sint-Elooi (1612) van de Brugse edelsmid Jan Crabbe, die ook het grote schrijn van het H. Bloed maakte. (Tijdens de renovatiewerken staat het schrijn aan de zijingang opgesteld)


Reliekschrijn van Sint-Elooi in de kathedraal te Brugge
(foto: Marc Willems)


De preekstoel (1777- 78) werd gemaakt naar een ontwerp van de Bruggeling Hendrik Pulinx de Jonge. Het witmarmeren beeld van Sint-Elooi (1785) onder de kuip is van de Brusselaar Laurent Taminne.


Sint-Elooi, beeld onder de predikstoel in de Brugse
Sint-Salvatorskathedraal.(foto: Marc Willems)


Het barokke marmeren portiekaltaar is gebouwd naar de plannen van de Gentenaar Jacques Cocx. Bovenaan staan de patroonheiligen van de kathedraal: Sint-Salvator, Sint-Elooi, en Sint-Donaas.

In de Smedenstraat staat zijn beeld in een nis van het huis Sint-Elooi.


Het beeld van Sint-Elooi in de Smedenstraat.

In het Groeningemuseum hangt trouwens een schilderij van Lanceloot Blondeel uit 1545 waarop Sint-Eligius samen met H. Lucas en de Moeder Gods is afgebeeld. 


Eligius van Noyon, rechts op het schilderij
van Lanceloot Blondeel

In de Onze-Lieve-Vrouwekerk hangt een werk van Jacob van Oost de Oude uit de 17de eeuw waarop de heilige eveneens voorkomt. De indrukwekkende figuur met rijk geborduurde koorkap is Sint-Eligius. Het werk werd immers besteld door de ambacht van de edelsmeden.


Schilderij in de O.L. Vrouwekerk te Brugge


Het leven van Eligius van Noyon.

Eligius van Noyon werd omstreeks 588 in Chaptelat bij Limoges geboren. Reeds van voor zijn geboorte leek de knaap voorbestemd te zijn voor grote daden, want volgens de legende zag zijn moeder, toen ze van hem zwanger was, in haar dromen tot drie keer toe een arend op zich afkomen en dan telkens een angstaanjagende kreet slaken. Badend in het zweet schrok ze dan wakker.

Ze ging om raad bij een priester die haar uitlegde dat dit betekende dat ze het leven zou schenken aan een zoon die door God uitverkoren zou zijn, en die ze daarom Eligius (de uitverkorene) moest heten. Alzo geschiedde.

Omdat de jonge Elooi goed met zijn handen kon werken stuurde zijn vader hem in de leer bij een goudsmid in Limoges. Zodra hij de knepen van het vak kende, trok hij de wereld in en kwam zo terecht in Parijs aan het hof van koning Clotarius II.

Deze koning wilde op zekere dag een gouden troon laten smeden. Geen van de gevestigde goudsmeden durfde de opdracht aannemen want ze vreesden de woede van de koning als de afgewerkte troon hem niet zou bevallen. Elooi echter, nam de opdracht wel aan.
Hij kreeg van de koning goud, zilver en edelstenen en toog aan het werk. 

Na enige tijd vroeg hij de koning om naar de afgewerkte troon te komen kijken. De koning was vol lof en heel verwonderd toen Elooi even later nog een tweede even mooie troon liet zien terwijl hij zei : “Ik had nog materiaal over om een tweede troon te maken.”  De koning prees zijn eerlijkheid en stelde hem aan tot zijn muntmeester. Vanaf toen verbleef Elooi aan het koninklijk hof, eerst onder Clotarius II, en later onder diens opvolger Dagobert. Deze belastte hem zelfs met politieke opdrachten.  Het wulpse leven aan het hof beviel Elooi evenwel niet en hij zou gaarne in een klooster ingetreden zijn maar koning Dagobert liet zijn raadgever niet gaan.

Volgens de legende zou Elooi een knecht gehad hebben die een bijzondere methode hanteerde om lastige paarden te beslaan: hij sneed deze dieren gewoon een been af, sloeg er dan het hoefijzer op en zette dan het been nadien weer terug aan het paard. Die knecht zou Jezus zelve geweest zijn en zou deze wonderlijke wijze van werken later ook aan Elooi geleerd hebben.

Men vertelde dat men de woning van Elooi gemakkelijk kon vinden door de armen te volgen want zijn deur stond altijd open om hen te spijzigen en te kleden. Na de dood van Dagobert kon Elooi eindelijk zijn geestelijke roeping volgen.

Toevallig kwam de bisschopzetel van Noyon vrij en, al was Elooi geen priester, toch wilde het volk hem als hun bisschop. Hij bereidde zich zeer ernstig voor op deze nieuwe taak en werd in 641 tot priester en bisschop gewijd. Hij stelde zich tot doel de heidenen te bekeren.
Omdat zijn diocees zich ook over Vlaanderen uitstrekte kwam hij ook regelmatig in onze streken op bezoek. Eens ging hij op bezoek bij de bouw van een kerk. Toen hij bij de bouwplaats arriveerde, zag hij hoe een bruine beer met veel gebrul uit het bos te voorschijn kwam op het ogenblik dat er arbeiders aankwamen met een ossenspan geladen met bouwstenen. Bij het zien van de beer sloegen de arbeiders op de vlucht zodat de beer de os velde en begon op te peuzelen.

Woedend richtte Elooi zich tot de beer en sprak : “Jij hebt de os gedood, nu kunnen de mensen geen stenen meer aanvoeren voor het huis van God.  Van nu af aan zal jij de kar trekken.” En zo geschiedde.  Als een lam liet de beer zich elke ochtend voor de kar spannen en pas toen de kerk voltooid was werd hij vrijgelaten.

Men merkt dat het leven van Sint-Elooi met legenden doorspekt is. Op 1 december 660 zou hij na een korte ziekte gestorven zijn in Noyon.
Bron : http://www.heiligen.net/heiligen/12/01/12-01-0660-eligius.php


Eligius van Noyon (KNSKA)
Sint-Elooi

Talrijke beroepen die te maken hebben met edelmetalen of zich bedienen van een hamer en een smidse-oven maakten hem tot hun patroonheilige: goudsmeden, juweliers en muntslagers, hoefsmeden en ketelmakers. Hij is een belangrijke geneesheilige voor veeziekten (vooral paarden).

Op 1 december (de feestdag of Koude Sint-Elooi) of op de zondag na 24 juni, ook de Warme Sint-Elooi genoemd, worden op vele plaatsen paardenommegangen gehouden.

De heilige wordt op drie manieren afgebeeld: als hoefsmid met nijptang, hamer en aambeeld, soms ook met een paard; als goudsmid met kelk en/of gouden ring, symbolen van de religieuze en burgerlijke edelsmeedkunst. Het vaakst wordt hij voorgesteld als bisschop vergezeld van bovenvermelde attributen, maar ook met een hamertje met daarop een kroontje als teken van koninklijke muntmeester.


Eligius geeft ring aan Godeberta,
door Petrus Christus


© Marc Willems (2014)
Brugse.legenden@gmail.com

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.